Bouman's Blog

Leven en werken in Roemenië

Archief voor de maand “april, 2009”

Maaidag

Vandaag Maaidag in park Titan. Overal mannen en vrouwen van de firma Rosalgrup in groene overalls. Vorige week was er bij ons familie op bezoek, en wandelend door het park viel het ons op dat een deel van de gazons aan hun lot werd overgelaten. Alsof men op het gemeentehuis onze opmerkingen gehoord had, was het gemaai vandaag niet van de lucht. Op trekkertjes, met maaimachines en met van die kleine dingetjes voor de randjes, alle varianten van de maaikunst werden bedreven.

Hier en daar stond een opzichter of opzichtster bevelen te geven. De grasharkploeg draaide zich warm. Het was een lust voor het oog, en de maaiers hadden er duidelijk plezier in. Het viel me op dat vooral de oudere maaiers met ruime heupbewegingen hun apparaten rondcirkelend te werk gingen. Blijkbaar waren die nog de zeis gewend, want ze bewogen met hun motormaaiertjes op precies dezelfde manier als met dat traditionele instrument. Waarmee trouwens nog steeds een groot deel van Roemenië wordt gemaaid.

De overgang van handwerk naar machinerie, die je in 19e-eeuwse romans (http://en.wikipedia.org/wiki/La_Terre) tegenkomt, is in Roemenië aan de orde van de dag. Zo ook dus in het park Titan. Waar aan de ene kant van de allee de tieners gamend en bellend voorbij mobielen, worstelt ter anderen zijde de werker met de recente mechanisatie van zijn eeuwenoude métier.

Park Titan

Over mijn dagelijkse wandeling van en naar kantoor valt een romancyclus te schrijven. Voorlopig doe ik het echter met dit blog. Zo kan ik u in behapbare brokken vergasten op de wonderen van het park Titan. Vandaag: de houten kerk.

In Roemenië is het vanwege een afwijkende kerkelijke kalender op een ander moment Pasen dan in Nederland. Dat wil voor onze buitenlandse klanten nog weleens tot verwarring leiden, vooral omdat Roemenen ook nog eens de reputatie hebben dat ze feesten over meerdere dagen uitsmeren. Dan gaat het van: ‘Pasen? Nog steeds?’ Maar dat terzijde.

De tijd voor pasen is een speciale tijd in dit kerkelijke land met extra diensten en extra inzet. Dit als decor bij het volgende: op een recente wandeling ’s ochtends vroeg, richting kantoor dus, rondde ik juist de bocht in het meer toen mij een soort didgeridoogeluiden bereikten vanuit het hoger gelegen deel van het park.

Ik hoorde een monotone aaneenschakeling van onderaardse keelklanken. Het paste precies bij de wat mistige, frisse ochtend, de bomen, het meer, de verlaten speeltuin. Ik hoorde een serie bezweringen en formules. Ik hoorde Hades mompelen in zijn gelijknamige onderwereld. Totdat ik de houten kerk ontwaarde tussen de bomen. Toen was de link natuurlijk snel gelegd.

De priester, of priesters, dat kon ik uit het hoorspel niet opmaken, had de moeite genomen om rond de houten kerk luidsprekers op te hangen, om aan toevallige voorbijgangers zowel als aan de vaste parkbewoners (waarover een andere keer meer) zijn blijde boodschap toe te voegen. Ik was even bang dat dit versterkte en vervormde geluid voor de ongeoefende wandelaar weleens tot hartproblemen kon leiden. Gelukkig realiseerde ik me al snel dat deze tactiek voor Roemenen heel gewoon moest zijn. Immers, dit is een land waar iedereen een mening heeft en deze graag luidkeels verkondigt. Maar dat terzijde.

De houten kerk is, u raadt het al, van hout en ligt aan de rand van het park aan een drukke straat. Bij het passeren van deze kerk krijg ik altijd een soort scandinavisch gevoel, hoewel houten kerken in Roemenië wel meer voorkomen. Dit wordt versterkt door de als een viking met zijn armen zwaaiende verstandelijk uitgedaagde persoon, die mij af en toe luidkeels brullend komt begroeten.

In Boekarest staan heel veel kerken, maar juist deze is mij dierbaar. Het is namelijk van alle gebouwen die zichtbaar zijn vanuit onze flat, het enige dat niet een grijze betonnen blokkendoos is. Als ik naar het zuidwesten kijk zie ik net de spits. En de spits zegt: ‘Kijk! Niet alles is hier communistisch grauw’.

Tocht!

Van alle rampspoed die een Roemeen kan overkomen is tocht wel de ergste. Tocht is in dit land verantwoordelijk voor allerhande aandoeningen en leed. Tocht moet daarom te allen tijde en koste wat kost voorkomen worden.

Drie bekende feiten. 1) In Roemenië kan het snikheet worden ’s zomers, 2) in Boekarest is het zich verplaatsen per taxi niet duur 3) taxi’s zijn hier echter vaak geen luxe slee. Gooi deze feiten in de mix en je krijgt het volgende scenario. Het is buiten 45 graden Celsius, zo rond zes uur s’avonds. Je gaat een glaasje drinken in het centrum met een gezelschap van drie Roemenen (geslacht of leeftijd irrelevant).  Een taxi staat te wachten aan de straat bij het kruispunt, na een hele dag bakken in de zon. Eenmaal ingestapt blijkt dat de buitentemperatuur nog kinderspel was vergeleken met wat zich onder het taxidak afspeelt. De chauffeur, die tot dusver zoals in Boekarest te doen gebruikelijk zijn dag heeft doorgebracht met het vanuit een open raampje verwensingen uitbraken over medeweggebruikers, draait als eerste welkomstmaatregel resoluut zijn raampje dicht. Daarna zet hij de taximeter aan en voegt je toe: ‘Waar gaan we heen?’ Naar het centrum, goede man. Daar ga je dan, in de snelkookpan. Als je informeert over de airco, is die kapot. Als je vraagt of er een raampje open kan, kunnen er twee dingen gebeuren. Óf de chauffeur zegt ‘curent’ (het Roemeense woord voor tocht én voor electrische stroom), óf hij besluit dat je het zelf maar moet weten. In het eerste geval gaat er dus mooi geen raampje open. In het tweede geval heb je op z’n hoogst een minuut of twee buitenluchtgenot – in het muurvast staande verkeer, maar allá – voordat een van je medepassagiers alsnog gaat klagen over ‘curent’, en het raampje weer dicht moet.

Dit fenomeen doet zich voor in muffe treincoupés, lang niet geluchte appartementen, in tuinen, parken, toiletruimtes, kortom overal waar een normaal mens een doorwaaimoment zou verwelkomen. Bij ons op kantoor moet ik dagelijks strijd leveren op dit vlak. Ik resideer in het serverhok, dus hitte en stof permanent verzekerd, maar mijn kamergenote houdt met grote argwaan mijn open-raaminitiatieven in de gaten.

Mijn schoonmoeder, die me inmiddels al heel wat jaartjes meemaakt, kan nog steeds in opperste verbazing naar mijn nog niet geheel afgedroogde haar wijzen als ik daarmee de deur uit wil. En de tocht dan? Zij is er heilig van overtuigd dat je daar de meest verschrikkelijke ziektes aan kan oplopen, van algehele zenuwstoornissen tot een verzakking van de aangezichtsspieren. En hou me ten goede: misschien ís dat in Roemenië ook wel zo. Misschien moet ik mijn overmoed binnenkort duur bekopen met een tochtslachtofferschap. Ik houd u op de hoogte.

Schoon

Als Roemenen zeggen ‘We gaan van het weekend naar het platteland’ (la țară) dan bedoelen ze dat niet in het algemeen. Hoewel veel Roemenen stadsbewoners zijn (Boekarest herbergt een kleine 20% van de ingezetenen) heeft bijna iedereen wortels op het platteland. In communistische tijden heeft er een hevige, vaak onvrijwillige urbanisatie plaatsgevonden. Veel mensen verhuisden naar de steden, of naar verstedelijkte voormalige dorpen, en behielden hun plattelandsconnecties. Roemeense familiebanden zijn ook sterker bij ons, dus het feit dat er een oma, tante, nichtje of oude vriend nog op het dorp woont is van een groter belang dan dat het in Nederland zou zijn.

Zo zijn wij regelmatig in het weekend te vinden in het dorpje Măgura bij Buzău, waar Ana-Maria’s oma woont. Oma is heel oud en invalide, zij wordt door de week verzorgd door de buren en in het weekend door Paul en Mari. Bejaardentehuizen zijn in Roemenië oorden die je je ergste vijand nog niet als oudedagvoorziening zou toewensen (tenzij je de centen hebt om een privé-tehuis te betalen), en bovendien is oma zó met haar erf vergroeid dat het ondenkbaar is ergens anders haar bejaardheid te beleven.

Schoonmaken is er dus ook niet meer bij, de enige taak die ze nog kan doen na een leven hard werken is het voeren van de kippen. Dus afgelopen weekend togen we met de familie erop uit en aan de schoonmaak. Op het erf staan meerdere huizen, waarvan eentje alleen in de zomer bewoond is. Daar moest flink de bezem door. Ook het huisje van oma en dat van tante Steluța moest flink worden geschrobd. En dat terwijl onze Yana pas aan het begin staat van een carrière gekneusde knieën en modderbroeken. Dus waar wij boenden, banjerde zij. Een groot feest.

En zo brengen heel veel Roemeense families hun weekenden door. In zekere zin zijn dus heel veel mensen gezegend met een vorm van datsja. Een weekendhuis. En hoewel Roemenen doorgaans dol zijn op nieuw, modern en westers, koesteren ze toch ook openlijk hun ‘roots’, het platteland met zijn frisse lucht en ruimte. Je zult niet veel verklaarde plattelandshaters/stadsjunkies treffen, ook al zijn ze nog zo hip. Tegelijkertijd worden net als overal plattelanders gezien als wat dommig en achterlijk. Dat dan weer wel. Het verschil met een land als Nederland is, denk ik, dat minder of meer onbewust Roemenen toch een soort heimwee hebben naar hun précommunistische rurale samenleving. Gezien de sporen van voornoemd communisme in het landschap en in de hoofden van de mensen, kan ik daar goed inkomen.

Communisme = Kapitalisme?

Van kapitalisme schijnt een uniformiserende werking uit te gaan. Dit fenomeen is krachtig samengevat in de door George Ritzer gemunte term ‘McDonaldization’. In een heleboel markten zijn er wereldwijd een handjevol bedrijven die, groot en machtig, onderling de koek verdelen. Bedrijven die alles overal ter wereld op dezelfde manier doen – net als het schoolvoorbeeld McDonalds dus – varen er wél bij. Een ander bekend voorbeeld is Ikea. Door deze meubelmoloch is het gemiddelde Europese interieur in hoge mate gelijkgeschakeld. Ook in Boekarest hebben we Ikea, maar dat terzijde.

Ik ben geen econoom of socioloog, dus wat mijn beweringen aan wetenschappelijke waarde hebben zal gering zijn. Maar al die dingen die overal hetzelfde zijn geven mensen een veilig gevoel denk ik, terwijl het aan de andere kant de menselijke behoefte aan Nieuw en Anders frustreert. Het is heel fijn dat je als Limburger in Harlingen precies weet hoe je aan benzine voor je auto moet komen, aangezien alles op dezelfde manier werkt als in het zuiden. Maar het feit dat de benzinepompbroodjes overal dezelfde plasticsmaak hebben moet menig vertegenwoordiger hebben doen verlangen naar de Friet-van-Pieten van weleer. Het is prachtig dat je op de luchthaven van Warschau ook gewoon eerst kunt inchecken en daarna boarden, en niet andersom, en het zal veel toeristen een vertrouwd gevoel geven. Maar het buitenland wordt er wel minder buitenlands door. En als er een nieuw format televisieprogramma is willen wij kijkers méér daarvan, terwijl aan de andere kant het verzadigingspunt voor na-aperij toch gauw bereikt is.

Meer van hetzelfde, dat is kapitalisme. Omdat productie in serie en volgens nauwkeurige standaarden goedkoper is. En als er één doorslaand argument is…enfin. Het aardige is, deze kapitalistische werkelijkheid komt heel dicht in de buurt van wat een communistische droom genoemd mag worden: eenheidsworst. In communistische regimes werd de werkelijkheid geboetseerd met vijfjarenplannen en productiequota. Was iedereen arbeider, at iedereen hetzelfde voedsel, had iedereen dezelfde meubels, auto’s, carrières, kortom het was één groot Ikea. In Roemenië heeft lang een dictator geheerst die voor uniformiteit een bijzonder fijne neus had. En onder zijn leiding is Boekarest herschapen tot een monument van gelijke vormen. Er is een fototentoonstelling aan de gang van Boekarest rond zestig jaar geleden, en daar kan je heel duidelijk http://www.orasul.ro/expozitii/2009expo/trecut-au_anii/galerie/ zien hoe zich dit ideaal heeft verwezenlijkt. Zelfs op deze propagandafoto’s is alles zó strak, zó fabrieksmatig, zó eenvormig dat je onwillekeurig een soort watermerk van communistische planningsperfectie begint te zien.

Wacht eens…geperfectioneerde planning? Klinkt dat niet heel erg naar McDonalds, Toyota en Dell? Ik begin jandorie te geloven dat het allemaal dezelfde kant op gaat qua visueel resultaat, kapitalisme en communisme zijn uitwisselbaar op dit gebied.

Groen (openbaar)

Boekarest is verdeeld in zes sectoren. Een soort deelgemeenten. Iedere sector heeft zijn gemeenteraad, burgemeester, ambtelijk apparaat, zelfs een eigen belastingdienst. Er kwamen bij ons op kantoor eens twee inspecteurs langs van deze wijkbelastingdienst, of wij onze bijdrage maar snel wilden betalen want hun geld was op. Zo gaat dat.

Wij wonen in sector 3. Sector 3 is heel groot en staat bekend vanwege de netheid en het vele groen. Nou win je daar makkelijk mee van de andere sectoren, want over het algemeen is het groen in Boekarest niet om over naar huis te schrijven. Dat wil zeggen: er zijn een aantal reusachtige parken, maar daarbuiten zijn grote delen van de stad heel stoffig en stenig.

Logisch dus dat bewoners groen belangrijk vinden. En dat het een politiek issue wordt, zodanig zelfs dat burgemeesters van sectoren zich ermee profileren. Sector 1 noemt zichzelf  ‘De Groene Sector’, blijkbaar in een soort hoop op een self fulfilling prophecy. In onze sector staat bij iedere groenstrook een metalen bord met onder een boetebepaling (sloop de boel en je gaat voor 50 RON op de bon) heel trots de naam van de burgemeester. Veel effect heeft het niet want ik ben prompt zijn naam vergeten.

Sector 2 heeft de bordjes van sector 3 overgenomen en het idee uitgebreid naar iedere graspol van enig formaat. Zodoende kan de burgemeester (ook zijn naam wil me niet te binnen schieten) trots wijzen op het sterk gegroeide aantal groene zones in zijn sector. Als je de groene zones waar zonder moeite overheen te spugen valt ervan aftrekt, blijft er ongeveer een handvol over. Maar dat terzijde. Ze worden onderhouden alsof het om ’s lands kroonjuwelen gaat. Regelmatig zie je een handvol werknemers van een of ander groenbedrijf in zo’n groenstrookje onkruid wieden, bloempjes planten, rommel opruimen en wat dies meer zij. In het Parc Titan waar ik iedere ochtend doorheen wandel op weg naar kantoor, is zelfs een dagelijkse onderhoudsploeg actief.

En overal die bordjes. Een heel aardig voorbeeld van zo’n bordje (en hier ben ik dus heel trots op) stond heel gunstig gepositioneerd vlak naast een autowrak (ook een regelmatig voorkomend fenomeen in het Boekarestse landschap), juist toen mijn moeder en ik gewapend met fototoestel langskwamen.

Mogelijk gemaakt door Sector 2

Mogelijk gemaakt door Sector 2

Naast dit autowrak staat zo’n trots bordje. Er staat ‘Project uitgevoerd door Sector 2, met steun van de sector-raad. Burgemeester: Neculai Onteanu’. Volgens mij is het project ooit een Citroën C4 geweest…

Berichtnavigatie