Bouman's Blog

Leven en werken in Roemenië

Archief voor de maand “december, 2009”

Wit

Daar sta je dan, met je Elfstedentocht-attitude, je eigen auto uit te graven. Het was me een belevenis, deze eerste dagen met Echte Sneeuw. Daarom, hoewel ik meestal ben van un mot vaut mille images, wat plaatjes.

Van links naar rechts en van boven naar beneden: 1) winterbanden regelen bij meneer Titi 2) sneeuw in de heuvels bij het dorp van oma 3) ijs op het meer van het park Titan 4) de winterkermis 5) besneeuwd park Titan, andere hoek 6) ijs op de Dâmbovița  7) decoratieve verrassing van het stadsdeel Sector 3

Snows of Bucharest

Eindelijk is het dan zo ver. We mogen dan in een vaccinloos land wonen, maar ze hebben hier tenminste wel een fatsoenlijke zomer (4 maanden mooi weer) en in de winter sneeuwt het zoals het hoort.

In Boekarest sneeuwt het niet zo vaak, maar vandaag is het hier een sneeuwjacht van jewelste. Burgemeester Oprescu heb ik vorige week nog op de televisie zien beweren dat alle sneeuwschuivers er patent bijstaan, mSneeuw in Titan, december '09aar daar viel onderweg terug van kantoor niets van te merken. Op de Liviu Rebreanu-boulevard, een verkeersader in het oosten van de stad, was de voor stadssneeuw zo kenmerkende grijze pulp nog niet verschenen. Op zich wel leuk natuurlijk, als voetganger kom je visueel aan je trekken en je hoeft niet bij ieder kruispunt door de prut te waden.

Als het sneeuwt wordt deze stad ook mooier door wat je niet meer ziet, net als ’s nachts. Op de achtergrond van deze foto is bij heldere lucht een horizon van foeilelijke betonflats te zien. Nu: een woest bergmassief uit een sprookje.

Een avondje Arnon

Vorige week was Arnon Grunberg in Boekarest. Dat mag gerust het Nederlandse literaire evenement van het jaar heten voor onze stad, dus de onderaardse studentenbar waar de discussie-avond plaatsvond was mudjevol. Een meisje van een literair tijdschrift had de avond georganiseerd en voor dat doel ook wat mensen opgetrommeld die ‘iets’ met Arnon hadden: vertalers van zijn werk, de uitgever, docenten Nederlands aan de universiteit, een collega-schrijver, een aantal theatermakers… wie wie was op het podium werd mij pas gaandeweg de avond duidelijk. Temeer omdat er een spannende dynamiek ontstond tussen af- en aanlopende podiumgasten, de hele avond lang.

Grunberg, die ondanks zijn hoge haardos en kekke laarsjes klein bleef tussen de Roemenen, had een heel prettige manier van doen. Hij kwam oprecht geïnteresseerd over in de discussies, luisterde geduldig, gaf omstandig antwoord op zelfs de meest vage debiteringen en had daarbij een indrukwekkende podiumuitstraling. Aimabel. Dat zijn Roemenen niet van alle schrijvers gewend: ik hoorde dat die zich hier graag met voetstuk en al door de wereld bewegen.

Tijdens de discussies moest ik, afdwalend, aan de romans denken. Het gesprek ging vooral over zijn journalistieke werk, maar ik vind vooral zijn romans goed. Stukjes schrijven kan iedereen. Ik denk dat ik zijn debuut in 1995 heb gelezen. Ik vond er niks aan. Destijds was ene Giphart erg populair – Ronald’s rukboekjes werden zijn werkjes wel genoemd. Het eerste boek van Grunberg leek een soort imitatie daarvan. Arnon’s aftreksels, zo u wilt. Later werk ben ik erg gaan bewonderen, onder andere De geschiedenis van mijn kaalheid, die nu dus pas in het Roemeens is vertaald. De roman Tirza vond ik eigenlijk té goed. Die was zo huiveringwekkend dat ik hem niet meer kon verdragen in de boekenkast, en heb weggegeven. Misschien toch maar eens wat journalistieks lezen…

Huize Titan

Het is zover: het huis is door de kerk! Vorige week vrijdag mochten wij het slot van deze spannende thriller schrijven door ondertekening van het koopcontract ten burele van de notaris.

Ondanks het feit dat het contract bijna alleen standaardclausules bevatte en ondanks (of misschien vanwege) het toeziend oog van mevrouw de notaris zelve presteerde de type-afdeling – u leest het goed – het om drie keer fouten in de tekst te laten zitten. Bij wijze van nageboorte werden we, net thuisgekomen van de ondertekening (onze eerste koopwoning samen) gebeld of we nog even langs wilden komen voor nog wat handtekeningen. Er was een rekenfoutje gemaakt…gelukkig niet in ons nadeel.

Zodoende zitten wij vanaf februari (de vorige eigenaar moet zijn nieuwe huis nog even van verwarming enzo voorzien) in de buurt van maar liefst twéé parken. Nog steeds in Titan uiteraard. En een eigen parkeerplek, vlak dat niet uit.

Dus voorlopig niet meer op huizenjacht. Maar we hoeven ons niet te vervelen. Met dit einde is ook een nieuw begin gekomen: een nieuwe gang door de instituties is vandaag officieel gestart. Het eerste bezoek was aan de afdeling Lokale Belastingen van het sectorbestuur. De notaris had mij verteld dat ik hierheen moest, maar ik kon helaas haar aantekeningen niet meer lezen. Wat ik precies moest doen hier was mij dus een mysterie. 

Ik boog mij na de ingang door een openstaand loketluikje, waar twee vriendelijke dames zaten te dollen. Zij verwezen me door naar ‘kamer 101 of kamer 102 , eerste verdieping’. Kamer 101 was op slot. Kamer 102 was in gebruik door vier dames op leeftijd, de een nog norser dan de ander. Toen ik bedeesd maar toch een beetje trots vertelde dat we net een appartement hadden gekocht en dat de notaris me gestuurd had, vroeg de meest assertieve welke straat het was. Toen ik het zei, bromde de opper-azijnmevrouw dat ik in kamer 103 moest wezen. Het leek wel of ze een borsj-infuus had (borsj – het ingrediënt voor zure soep).

Voor kamer 103 stond een rij. Daar stonden we dan op de gang. Ik had zo mooi de gelegenheid de borden te bestuderen waarop stond voor welke straat je in welke kamer moest wezen. Onze straat stond bij kamer 102. Ik verdacht het borsj-infuus ervan mij expres het bos in te hebben gestuurd. Na enig geduld stapte ik kamer 103 binnen.

Hier zaten twee dames, waarvan de een niets te doen had. Deze zei bij wijze van begroeting, maar zonder het hoofd van de monitor af te wenden: ‘Documenten!’ Dus ik vriendelijk uitleggen dat ik niet precies wist wat ik kwam doen, maar we hadden net een appartement gekocht etc. Het bleek dat ik me moest inschrijven in de ‘Rol der belastingen’ – het klonk me erg oud-Egyptisch in de oren – en daarvoor hoefde ik slechts twee kopietjes te maken. In kamer 117.

In kamer 117 stonden twee ambtenaren gezellig te kletsen temidden van een jungle aan kamerplanten. Toen ik vertelde wat ik kwam doen en wie mij had gestuurd, wilde de ene mijn kopietjes wel maken. Ze zei wel achterdochtig: ‘ik dacht dat kamer 102 dienst had vandaag!’ Ik zei ja die hebben me naar 103 gestuurd. Toen keek ze heel begrijpend. Ambtenaren zijn ook mensen, weet u.

Terug in kamer 103 met mijn kopietjes was de mevrouw verdwenen. De andere mevrouw zei desgevraagd: komt zo terug. Na enig wachten kwam de vrouw inderdaad terug, met natte handen (toilet?), ging achter haar bureau zitten en zei met een grafstem: ik kan u helaas niet meer helpen vandaag. Het is half vijf geweest en de directrice is naar huis. Zonder haar handtekening en stempel kan ik niets doen.

Ik keek op mijn horloge. Drie over half vijf. Het geluid van vallende potloden had ik waarschijnlijk even gemist. Ik zei tegen de vrouw: ik was hier drie minuten geleden, ik moest van u twee kopietjes maken. Was niks aan te doen. Morgenochtend terugkomen. Ze zei nog: ‘Ik heb mijn plicht gedaan, door u te vertellen welke documenten u nodig heeft.’ Geen speld tussen te krijgen.

Berichtnavigatie