Bouman's Blog

Leven en werken in Roemenië

Archief voor de maand “augustus, 2011”

Ferkansie: zoutjes

Al toen de Daciërs onder Burebista en Decebalus gehakt maakten van de Romeinen onder Traianus werd de soep al niet zo heet gegeten dan dat de pap met het zout werd opgediend na de maaltijd, samen met de mosterd.

Excuseer, buikgriepje – daar komen wanordelijke stukjes van. Ik ging vandaag een bloemetje kopen want dat helpt. Ik kom aan bij het bloemenstalletje: dicht. Net wil ik verder lopen, zie ik in de verte door het gebladerte van het aanpalende parkje een volbloed zigeuner (Rom) aan komen stormen. ‘Wilt u bloemen?’ Ik zeg, ik dacht dat het dicht was. ‘Dat komt, ik heb airconditioning’ meldt vol trots de zigeuner (Rom) en loodst mij naar binnen. Inderdaad, binnen was het een ijskast. Een ijskast met bloemetjes uit Nederland. Ik wijs resoluut op een bos met een paars papiertje en na een Nederlands tarief te hebben betaald vindt de verkoper het blijkbaar te gemakkelijk gaan. ‘Wilt u misschien nog een bos?’ Ik geef toe dat ik maar 1 vrouw heb. Na enig nadenken: ‘En een minnares, hebt u die niet?’

Maar dat terzijde. Ik heb laatst na bijna drie jaar Roemenië in een week niet met 1 maar zelfs met 2 zigeuners (Romi) gesproken. In de zin van dat er meerdere zinnen gewisseld werden. Het gebeurde allemaal in de plaats Slanic – Prahova, waar een sinds 1970 verlaten zoutmijn een gezondheidstoeristische attractie vormt, samen met het naburige moddermeer. Volgens Roemenen is het ongezond om een raampje open te zetten, maar lekker in de modder rollen of zoutsnuiven dat kan alleen maar heilzaam zijn volgens ’s lands wijs.

Salina Slanic PrahovaOverigens is die zoutmijn wel een bezienswaardigheid, in voor- of naseizoen een tripje waard. Foto hiernaast: het lijkt een ondergrondse stad, een science fiction atoomkelder. Of het zout neefje Albert van de poliepjes heeft afgeholpen is de vraag, maar de toeristische waarde is onmiskenbaar en ’s zomers staan er dan ook lange rijen.

Toerisme in Roemenië is vooral voor Roemenen. Buitenlanders worden denk ik afgeschrikt door gebrek aan voorzieningen en slechte wegen. Maar omdat er in Slanic altijd veel mensen komen is er ook veel Zimmer Frei (cazare in het Roemeens). Wij hadden kamers gereserveerd in villa Helga, deze na enig rondvragen ook gevonden en uitstappende werden wij het kaalgeschoren hoofd van een boos kijkende zigeuner (Rom) gewaar, van wie wij hoopten dat hij niet in de kamer naast ons logeerde.

Gelukkig werden we ontvangen door de beheerster, een zigeunerin (Rom), die heel vriendelijk en beleefd alles wees en ’s avonds vergezeld van haar heerlijk snotterige tweejarige mee kwam eten. Wij waren daar met neef Bogdan, diens vrouw en zoontje en deze neef is de gastvrijheid zelve. Zo kwam het dat ik nou eindelijk eens de gelegenheid kreeg om naar het verhaal van een zigeuner (Rom) te luisteren.

De volgende dag kwam er een nog een Boekarestse zigeunerin (Rom) logeren, als gast en moeder van een zoutmijnbehoeftig kind. Deze praatte honderduit, met name over eten, en Ana kon haar van goede tips voorzien over de marktwaar in ons deel van Boekarest.

Helaas zijn wij te hardwerkend voor echte ferkansie, dus na nog een dagje zwemparadijs (met ontzettend zout water, uiteraard) ging het weer huiswaarts. Zoutje, iemand?

Stage

Het Roemeense onderwijs staat bekend als niet praktijkgericht, zodat ik blij was met de tweewekelijkse snuffelstage in de zomer die bij de Rechtenfaculteit ieder studiejaar verplicht is. De meeste studiegenoten deden wat smalend over deze ministage, in de zin van: “Welke gek gaat die stage werkelijk doen? Ik ‘regel’ gewoon een papiertje bij een kennis.” Diezelfde studiegenoten  houden uiteraard niet op met klagen over het niveau van het onderwijs, onserieuze werkgevers, slecht betaalde banen en de kwalen van de maatschappij als geheel. Het fenomeen dat de papierboel er mooi uitziet maar toch de werkelijkheid niet weerspiegelt, is wijdverbreid. Mijn Duitse buurman heeft het altijd over een Roemeens gezegde (Fură frate, dar fă forma legală) dat ik eerlijk gezegd nog nooit van een Roemeen heb gehoord maar dat iets betekent als: Steel gerust de boel bij elkaar, als je de administratie maar op orde hebt. Met stempels natuurlijk.

Zelfs als je werkelijk een stage gaat doen, is dat vaak niet erg zinvol. Mijn schoonvader, die in zijn dertig jaar onderwijs geven vele leerlingen op stageplaatsen heeft geplaatst, vreesde dat ook mijn stage zich zou beperken tot het zetten van koffie en het kopiëren van stukken.

Die vrees bleek geheel ongegrond. Vanaf het eerste moment werd ik broederlijk in het team opgenomen (het litigation team van de firma David&Baias, gelieerd aan de lokale vestiging van PwC) waar ik op voorspraak van Peter de Ruiter mijn ministage mocht doen. Ik kreeg zware zaken voor mijn kiezen en zat van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat gebogen over de traktaten, wetboeken en vaktijdschriften. Correct juridisch Roemeens schrijven is voor mij sowieso al een hele uitdaging, maar de stagebegeleidster had bedacht dat ik qua inhoud wel wat cassatiezaken kon uitwerken, een materie die pas in het vierde jaar wordt gegeven. Erg leuk dus 🙂 en ik was blij om te zien dat er in Roemenië wel degelijk bedrijven zijn op hoog professioneel niveau.

Op 1 oktober begint het tweede jaar. Nog wat jaartjes doorbijten en dan ben ik waarschijnlijk de enige Nederlander met een rechtenstudie aan de universiteit van Boekarest 🙂 Laten we hopen dat gebrek aan vraag naar deze specifieke expertise niet de reden is voor die zeldzaamheid…

Berichtnavigatie