Auteursarchief: Johan Bouman

Craiova

Wij werden van tevoren wel een beetje uitgelachen met ons lange weekend naar Craiova. Craiova… En je zag een denkrimpel verschijnen, gebeurt daar iets dan?

Dat niet per se. Maar onze lage verwachtingen zijn zo overtroffen, dat we Craiova nu een verborgen parel zouden noemen als we reisgidsen schreven.

Grofweg tussen Boekarest en Timișoara in het uiterste westen ligt deze historische hoofdstad van de streek Oltenië. Vroeger ook echt een hoofdstad, omdat die streek (nu de provincies Olt, Dolj en Gorj) toen een zelfstandige bestuursregio was. Misschien komt het daardoor dat Craiova een aparte categorie is in Roemenië. Kleiner dan Cluj, Brașov of Iași, maar wel met de allures van een grote stad en onvergelijkbaar stadser dan provinciehoofdsteden als Buzău of Suceava.

Maar goed ok prima en wat hebben ze dan? Je moet erheen voor de sfeer, dat kan ik u alvast verklappen. Sfeerverhogend is allereerst het romantische en enorme park Romanescu:

Vijver met gitaar

Na een wijntje bij het meer slenter je de stad in. Het oude centrum heeft in tegenstelling tot Boekarest weinig stemmige ruïnes meer. Het is grondig opgeknapt en schoongeveegd. Je struikelt over de barretjes, ijssalons en restaurants:

En voor totale cultuursnobs zoals wij heb je nog het museum. Het lokale museum was vroeger het pretpaleis van Roemeniës op een na rijkste meneer. Lieten wij ons vertellen door een zure ambtenares die voor meer informatie verwees naar ‘het boek dat u bij de receptie kunt kopen’.

Nu hangen er dode schilders. En niet zomaar schilders: heel wat Roemeense groten uit de negentiende en begin twintigste eeuw (Grigorescu, Tonitza, Aman) hebben er een plekje gevonden. En ze hebben een collectie werken van de beeldhouwer Brâncuși, waar het Louvre zijn vingers bij af zou likken.

Museum Craiova

Zo zwierven wij verder langs kathedralen, door botanische tuinen, schilderachtige straatjes en betoverende doorkijkjes.

Een van de hoogtepunten was helaas dicht:

Dacia

Zelf ben ik er niet zo van, maar hordes Nederlanders en andere Europeanen rijden tegenwoordig in Dacia’s. Dit automerk is volgens mij wel het succesvolste Roemeense exportproduct aller tijden. Laatst zag ik zelfs dat de Sandero op de Europese particuliere markt het best verkochte model is. Voor Roemenië is dat heel fijn: Dacia zorgt in zijn eentje voor zo’n 2% van het bruto binnenlands product.

De fabriek staat bij het plaatsje Mioveni, vanuit de stad Pitești richting de bergen en dan rijd je er zo tegenaan. Een model Dacia wordt tegenwoordig in Marokko gebouwd. Het merk is in 1999 overgenomen door Renault en die zitten nu natuurlijk ook in hun kapitalistische handjes te wrijven.

Sowieso is de band met Renault altijd innig geweest, want de Dacia’s die sinds de start in 1966 door het staatsbedrijf werden gebouwd waren op één na allemaal jatwerk van Renault-modellen.

Hieronder het beroemde model 1300, in feite een onder licentie gebouwde Renault 12.

Bron: Wikipedia

Toen wij eind 2008 in Boekarest kwamen wonen, zag je ze nog regelmatig. Nu zijn het leuke knutselkarretjes voor verzamelaars. Alleen in de provincie zie je nog weleens een bejaarde van de markt komen met zijn perfect onderhouden oldtimer. Drie mud aardappels en een varken achterin. Heel schattig, met van dat klassieke blik en die dunne bandjes.

Nee dan de nieuwere modellen, die zijn flitsend ontworpen voor mensen die gewoon vijf mensen en een hoop spullen van A naar B willen brengen en daar niet zoveel geld voor (over) hebben. Zoals mijn vriend Diederik hieronder:

Zie hem eens genieten van zijn Dacia

Oorlog naast de deur

Toen Rusland in 2014 de Krim bezette, gingen Roemenen eens op de kaart kijken: hemelsbreed maar 220 kilometer! Maar, toen werd het zo’n stagnerend conflict. En de gemoederen bedaarden weer. Om op 24 februari 2022 opnieuw te worden opgeschud. Al vlak na de inval stroomden de Oekraïeners het land uit, vooral naar Polen maar ook naar Roemenië. Mensen vragen mij weleens, wat merken jullie nou van de oorlog? In de eerste weken kwamen er dagelijks meer dan 1000 mensen aan op het treinstation Gara de Nord in Boekarest. Die werden opgevangen door vrijwilligers, omdat de overheid niet zo snel was met de organisatie. Nou is Boekarest een grote stad (zo’n drie miljoen inwoners), dus de Oekraïners bepaalden het straatbeeld toch niet. In grensplaatsen zoals Botoșani (hier een foto van 25 februari) was dat wel anders. Van de bijna half miljoen die naar Roemenië zijn gevlucht, zijn de meesten inmiddels doorgereisd. Op dit moment worden er in heel het land nog zo’n 100.000 Oekraïners opgevangen. Onder hen een flink aantal Roemeenssprekenden, want in het zuidwesten van Oekraïne zijn er gebieden waar nog enige tienduizenden etnische Roemenen wonen. Historisch gezien zijn Roemenen en Oekraïners zeker geen dikke vrienden, maar aan Russen hebben de meeste Roemenen een veel grotere hekel. Die worden hier niet als broedervolk beschouwd maar als voormalige bezetters. Onderweg van ons appartement in de stad naar het huisje op het platteland merken we ook de toegenomen drukte van de Oekraïense vrachtwagens, die vanwege de oorlog naar de Roemeense Zwarte-Zeehaven Constanța rijden. Dag en nacht zie je ze gaan. En sinds het stuklopen van de ‘graandeal’, over de uitvoer van Oekraïens graan via de eigen havens aan de Zwarte Zee, is de oorlog nog wat dichterbij gekomen. Aan de Donau, die bij de monding de grens tussen beide landen vormt, worden de Oekraïense havens Izmail en Reni een doelwit van Russische aanvallen. Hier een filmpje van een nachtelijke aanval met drones, geschoten vanuit Roemenië. image-2023-07-24-26416889-41-atac-portul-reni Aan de overkant van de Donau ligt een aantal Roemeense plaatsen, waar al meermalen brokstukken van drones zijn neergekomen. Een paar dagen geleden werd in Izmail het havenkantoor gebombardeerd, net toen de pont met onder andere Roemenen erop was weggevaren. Een en ander maakt de Roemenen niet bijzonder nerveus – het directe grensgebied is een rivierdelta waar weinig mensen wonen, zodat de kans klein is dat een afzwaaier veel Roemeense slachtoffers maakt. Maar de oorlog is nu wel degelijk naast de deur.

 

Uitdelen

Ongeveer een jaar geleden overleed mijn schoonmoeder en in Roemenië wordt een overlijden van tijd tot tijd herdacht door de familie. Dat heet een parastas en krijgt de vorm van een kerkdienst en het uitdelen van eten en eventueel bezittingen van de overledene. Bij ons gaat dat morgen gebeuren in het dorp waar het voorouderlijk huis en het familiegraf zijn.

Het eten moet worden uitgedeeld aan hen die daar behoefte aan hebben, dus arme mensen. Maar mensen die zo arm zijn dat ze te weinig te eten hebben, zijn er op het dorp niet veel meer. Daarom had Ana bedacht het eten aan een tehuis voor alleenstaande bejaarden te geven, dat gerund wordt door een stichting die heel weinig te makken heeft.

Twintig bejaarden en twee nonnen wonen in dit huis. Het staat in Naeni, een klein dorpje in de heuvels tussen de wijngaarden van het wijngebied Pietroasele.

Ana moest koken voor de mensen (buren, de priester) die bij ons thuis op het dorp komen eten, dus ik met een auto vol eten naar Naeni.

Pietroasele. Bron: wikimedia

Prachtige vergezichten, rustieke huisjes, spelende kinderen, keuvelende oudjes: net als in de film. Dit stuk van de provincie Buzău heeft terecht toeristisch appeal. Er zijn wijntours, luxe spa-arrangementen in het oude kuuroord Monteoru vlakbij, prehistorische nederzettingen, mountainbiketochten en andere leuke dingen voor stadsmensen. Of de keuvelende oudjes er iets mee opschieten is vraag twee, maar ik was onder de indruk van hoe mooi alles eruit zag. Roemenië heeft prachtige nazomers in september en oktober, wanneer het nog lekker warm is en de bossen langzaam beginnen te verkleuren.

Kerk Naeni. Bron: ghidul-horeca.ro

Vooruit, nog één:

Bron: Adrianka.ro

De uitstekende sfeer op Summer Well

Op 20 kilometer van Boekarest ligt het stadje Buftea, in Roemenië bekend van de nationale filmstudio’s. In Buftea ligt ook een immens evenemententerrein rondom een buitenverblijf van de familie Știrbey, die in de 19e eeuw een van de rijkste en voornaamste families van Roemenië was. Op het landgoed staat naast het paleisje een grote familiekapel, er is een groot bos en een meer.

Ieder jaar wordt deze grond gebruikt voor een driedaags popfestival met de naam Summer Well. Het is na Untold, Electric Castle en Neversea in grootte het vierde festival van Roemenië. Gisteravond hebben we er voor het eerst geluisterd naar een aantal bands met als hoogtepunt een optreden van Florence and The Machine, die dit jaar ook op Lowlands staat.

Van wowbiz.ro

Het is geen festival met grote namen of heel veel bands. Maar de sfeer is heel fijn en ontspannen. Gezinnen met kleine kinderen struinen langs de groepjes tieners en twintigers. Hippe veertigers zoals wij kijken rond met een biertje in de hand. Overal natuurlijk eten en drinken te koop. Er zijn drie podia waarvan één heel klein. De muziek is overwegend indiepop, maar op een van de twee grotere zijn acts met electro of hiphop. Wij zagen ook veel door bedrijven gesponsorde activiteiten (raceautootjes besturen met een VR-set) en een lichtshow op het meer.

De faciliteiten waren prima en de horeca was precies volgens festivalstandaarden: veel te duur en het bier was aangelengd. Ook het pendelvervoer naar de stad was prima. Het enige minsmaakje waar ik mee achterbleef was de overdaad aan commercie, want aan sponsors was wel heel veel ruimte gegeven om de volgende generatie aan hun producten te binden. Al dat geld dat die bedrijven daarvoor uittrekken kwam niet ten goede van de ticketprijs: met ruim 100 euro voor de volledige drie dagen was die niet te duur maar ook zeker niet goedkoop in verhouding tot het aanbod van bands. Maar: kinderen onder de 12 kunnen er gratis in.

En het prachtige Roemeense zomeravondweer natuurlijk. Al met al relaxed en een aanrader.

De rapen zijn weer Hongaar

Nou zijn natuurlijk de meningen verdeeld over wie er het eerst was, in Transylvanië. Hongaren zeggen de Hongaren, Roemenen zeggen de Roemenen. Feit is dat beide volken honderden jaren daar samen tussen de Karpaten hebben gewoond. Tot 1920 (verdrag van Trianon) was Hongarije er de baas en daarna Roemenië. Tot 1920 waren Hongaren oververtegenwoordigd in de hogere politieke, sociale en economische klassen en na dat jaar was het de beurt aan de Roemenen.

Men vraagt mij weleens, zijn er nou veel trubbels tussen Hongaren en Roemenen waar jij woont? In Boekarest is er nooit wat van te merken. In Transylvanië dan? Daar wonen zo’n 1,5 miljoen Hongaren verspreid tussen ongeveer 4 miljoen Roemenen. Qua etnische achtergrond dan, want Roemeense Hongaren zijn natuurlijk ook Roemenen.

Nou nee daar eigenlijk ook niet. Soms hoor je verhalen over toeristen die in Hongaarstalige dorpjes niet in het Roemeens werden geholpen in de winkel. En soms is er gedoe over Hongaarstalig hoger onderwijs. Maar verder, alles rustig.

Tenzij, tenzij er iemand expres de boel op stelten komt zetten.

Source: rferl.org

Hongarije stuurt regelmatig hoge functionarissen om in Roemenië de plaatselijke etnische Hongaren een hart onder de riem te steken. Nu was premier Orban in Băile Tușnad (in het Hongaars Tusnádfürdő) en provoceerde in zijn speech de Roemeense gevoeligheden. Hij zei dat de Roemeense overheid hem een brief had gestuurd met dingen die hij niet mocht zeggen, onder andere dat een bepaalde benaming voor een regio in Transylvanië bestaansrecht had, en hij reageerde daarop door te zeggen dat hij niet bedoelde dat dat een ‘Roemeense regio’ was. De Roemeense regering wordt daar boos om; die vindt dat Hongarije inbreuk probeert te maken op de territoriale integriteit door te zeggen dat de Roemeense etnische Hongaren bij Hongarije horen en te streven naar een Groot-Hongarije, dus die reageerde verbolgen.

En zo waren de poppen weer aan het dansen.

Er zijn trouwens ook lokale militante Hongaarse nationalisten die met vlaggen zwaaien en stropoppen van Roemeense volkshelden verbranden. En er zullen vast ook Roemeense nationalisten zijn die de Hongaren in Roemenië het leven zuur willen maken. Maar veruit de meeste Hongaren en Roemenen in Transylvanië laten zich niet gek maken.

Wel jammer van die mooie trein die ze samen gingen aanleggen.

Verschrikkingen in Voluntari

Een rustige straat in Voluntari, een randgemeente van Boekarest. De mussen fladderen. De honden doen een dutje op de stoep. Geen mens te bekennen.

Dan opeens: politiebusjes scheuren de straat in. Agenten springen eruit en lopen naar een nieuwbouwpand. Met toestemming van de onderzoeksrechter gaan ze over de muur naar binnen, nemen administratie in beslag, ondervragen aanwezigen en arresteren personeelsleden.

Source: digi24.ro

Zo begon vorige week de affaire die het Roemeense nieuws beheerst en die ‘azilele groazei’ is gaan heten: de horrortehuizen. In twee panden waarin met vergunning van de gemeente en het ministerie tehuizen voor bejaarden en gehandicapten waren gevestigd, werden de bewoners door het personeel stelselmatig mishandeld. Ze werden slecht gehuisvest, slecht gevoed, kregen geen medische zorg en moesten allerlei vieze klusjes opknappen.

De buren klaagden al jaren bij de autoriteiten dat er van alles mis was bij de tehuizen. Ze konden bejaarden horen gillen, naakt door de tuin zien lopen en bij het hek zien bedelen om eten. De gemeente en de inspectie deden niks met alle klachten, er kwam geen reactie van de overheid. Totdat het verhaal in de pers kwam en de politie een onderzoek startte.

Er kwamen steeds meer details naar buiten: Gehandicapten waren gehuisvest in een vochtige kelder. Bejaarden kregen alleen aangelengde soep. Toen de septic tank was overgelopen, moesten bewoners met emmers poep sjouwen. Wegens slechte hygiëne brak schurft uit, die werd bestreden door bewoners met insectenspray te bespuiten. En ondertussen maakte het personeel hun geld en onroerend goed afhandig.

In een land dat nog steeds het stigma voelt van de beelden met weeshuizen uit de jaren negentig, werden veel mensen diep geraakt door dit nieuws. Ook pro-regeringsmedia spraken er unaniem schande van. De altijd terughoudende orthodoxe kerk veroordeelde met harde woorden de praktijken die aan het licht waren gekomen, inclusief van de wegkijkende lokale overheid.

Wat bleek: de baas van deze private, maar gesubsidieerde tehuizen, die met het geld van de bejaarden flink had gefeest, was een bekende van de burgemeester. Deze burgemeester, Florin Pandele, heerst al jaren als een koning over zijn gemeente – alle medewerkers op hogere posities zitten in zijn clan van familie en vrienden. Zijn vrouw, Gabriela Firea, stond in persoonlijk contact met de hoofddader. Bovendien was zij als minister eindverantwoordelijk.

In de storm van verontwaardiging die ontstond hebben inmiddels twee ministers moeten aftreden en is een aantal leidinggevenden bij de plaatselijke overheid op non-actief gesteld. Uit een reflex hebben burgemeesters en prefecten overal in het land hun straatje schoon proberen te vegen met plotselingen controles bij de plaatselijke bejaardentehuizen.

Zo wordt weer duidelijk dat een deel van het land nog steeds beheerst wordt door clans van elkaar baantjes toespelende en elkaar dekkende machtsspelers, met vertakkingen die bij de nationale overheid concurreren om de baantjes maar ook met vertakkingen in de criminele wereld. Gelukkig is met dit schandaal nu een van deze netwerken flink beschadigd. De daders konden hun praktijken wel veel te lang maar uiteindelijk niet oneindig verborgen houden.

Twee musea

Als familie-uitje gingen we gisteren naar twee van de vele museumpjes in de stad.

Het eerste was een letterlijk afbrokkelend pand op str. 11 iunie nr. 36. 11 juni is de dag waarop in revolutiejaar 1848 een begin werd gemaakt met de onafhankelijkheid van Walachije, een van de drie delen van het huidige Roemenië. Schandalig genoeg wordt dit feit door West-Europese historici genegeerd. Maar er is een straat van en dus is het echt gebeurd.

Museum Pompiliu en Ligia Macovei

Het is een museum van de gemeente, maar heeft de ongelukkige naam Colecția de Artă Ligia și Pompiliu Macovei, zodat het op internet moeilijk te vinden is. Gelukkig zit Ana op cultuur, anders hadden we nooit geweten dat het bestaat.

Ook anderen vinden dit museum niet, zodat wij de bewaker aan de straat wakker moesten schudden om ons binnen te laten. De overige twee personeelsleden moesten ook nog even uit hun winterslaap opstijgen maar werden tijdens ons bezoek steeds actiever.

Ligia en Pompiliu Macovei was een echtpaar van hij diplomaat, zij kunstschilder. Tijdens hun werkzame leven woonden zij in het pand wat nu het museum is. In Ceaușescu’s buitenlandse dienst reisden zij de wereld over en verzamelden meubels en porselein uit verre landen. Ondertussen schilderde Ligia de groten na: impressionisten, expressionisten, kubisten en magisch realisten vonden via haar kwast een draai. Aan het eind van hun werkzame leven (1992) doneerden zij al deze spullen aan de Roemeense staat, die de collectie openbaar maakte in het pand waar het echtpaar al die tijd gewoond had.

Maar eigenlijk is vooral het pand zelf het bezoek waard. De buurt waarin het staat, vlak achter de Mitropolie, is heel centraal maar nog niet door opknappers en gentrificeerders overgenomen. De oude tram komt klapperend voorbij de lome stoepen, waar oude bomen de pleisterloze gevels opduwen.

Een paleisje kan je het gebouw wel noemen. Een imposante entree, joekels van vertrekken met vier meter hoge plafonds. Achterin de keuken en kamertjes voor het personeel. Een grote tuin met bijgebouwen. Een echt bordes achter. Alles in zeer slechte staat. De vochtplekken in de muur van de salon kwamen van “een boompje dat uit het dak groeide” en dat inmiddels is verwijderd. Men wacht op geld voor de restauratie. Als de vroegere eigenaar het toch eens had geweten. Een voorname Joodse hoedenmaker heeft het in 1928 laten bouwen. Eind jaren ’40 is het door de communisten genationaliseerd. De Macoveis woonden er als huurders en nu nog is het eigendom van de gemeente.

En verder! Het volgende doel was een museum in een van de duurste buurten van de stad, Dorobanți achter het regeringsgebouw.

Het landkaartenmuseum is de vrucht van Adrian Năstase, die met zijn gedoneerde verzameling oude landkaarten en accessoires een heel fraai pand uit de jaren dertig heeft kunnen vullen. Hoe kwam hij eraan, waarschijnlijk gejat. Năstase is een oud-premier die in 2012 en later nogmaals is veroordeeld voor corruptie. Nu speelt hij mooi weer als eminence grise en dus landkaartenweldoener. In een van de ramen heeft hij zijn zelfverzonnen wapenschild laten zetten.

Maar de kaarten zijn cool en het museum is netjes en de inrichting is redelijk modern. Er is zelfs een puzzelroute voor kinderen en je kon met je pinpas betalen. Wel lag er in een zaal boven een kakkerlak op apegapen, maar een kniesoor.

Hoe het nou precies met Roemenië zat, blijkt voor de Mercators en Blaeus toch niet heel duidelijk te zijn geweest. Pas in de negentiende eeuw kan je duidelijk zien hoe alles topografisch in elkaar stak, want voor die tijd was het allemaal van de Ottomanen en misschien wat minder toegankelijk.

Dit is een kaart uit de jaren 1920, toen bij Roemenië ook de huidige republiek Moldavië (noordoosten), het noorden van de streek Boekovina (nu Oekraïne) en een stuk van Bulgarije (aan de Zwarte Zee) hoorden. Allemaal na de Tweede Wereldoorlog door de Russen gewijzigd.

Oh en qua eten, dat deden wij bij Nor (wolk), een restaurant op de bovenste verdieping van (denk ik) het hoogste kantoorgebouw in Roemenië. Waar de prijzigheid niet door eten of bediening maar wel door het spectaculaire panorama wordt gerechtvaardigd.

Vroeg en veel pensioen

Het onderwerp is saai maar het moet even.

Al jaren vinden veel Roemenen dat de pensioenuitkeringen oneerlijk zijn verdeeld. Veel mensen krijgen een heel mager pensioen (zeg 200 euro per maand) maar anderen krijgen een ruim pensioen met uitschieters tot 4000 euro per maand. Het gemiddelde netto inkomen is 850 euro per maand (januari 2023).

Het probleem is dat de Roemeense wetgever het oorspronkelijke uitgangspunt voor pensioenen heeft verlaten. Zo’n uitkering is kort gezegd bedoeld voor mensen die niet meer kunnen werken, maar ook nog niet dood zijn. Een waardige oude dag, ook voor hen die niet door hun kinderen worden verzorgd. En omdat je niet elk geval apart kunt analyseren – veel te bewerkelijk en te duur – is het handiger om een vaste pensioenleeftijd af te spreken.

Iets minder kort gezegd kan je niet iedereen vanaf dezelfde leeftijd pensioen geven, omdat je bij sommige soorten werk eerder versleten bent en ook niet echt iets anders meer kunt. Bijvoorbeeld bouwvakkers hebben dat vaak. Als je op je 55e een versleten rug hebt van het tillen en bukken, ben je eigenlijk ook niet meer in staat om vrolijk aan een nieuwe opleiding voor een kantoorbaan te beginnen. Of in het extreme geval van ongezond werk zijn er ook mensen die op de algemene pensioenleeftijd zowat al overleden zijn. Er zijn groepen fabrieksarbeiders die zó ongezond moesten werken dat ze de 65 vaak niet haalden (door bijvoorbeeld longemfyseem).

Dus dezelfde pensioenleeftijd voor iedereen, behalve als je door ongezond werk een bewezen risico hebt om eerder dan gemiddeld te overlijden. Dat moet ook in Roemenië het idee geweest zijn. Behalve dan dat vrouwen altijd wat eerder met pensioen mochten dan mannen, hoewel vrouwen gemiddeld langer leven. Je reinste discriminatie is dat, schijnt ook in andere voormalige Oostbloklanden de regel te zijn. In Roemenië gaan vrouwen met 62 en mannen met 65 jaar aan de pensioentap. En voor een volledig staatspensioen moet een man 35 jaar hebben gewerkt (een vrouw dus iets korter, hoewel de pensioenleeftijd voor vrouwen stapsgewijs verhoogd wordt).

Qua financiering is het Roemeense stelsel een omslagstelsel. De pensioenen worden betaald uit de premies van de werkenden. Daarnaast is er gedeeltelijk spaarsysteem, waarbij iedereen voor zijn eigen pensioen spaart, maar dat systeem maakt een heel klein deel van het totale pensioen uit. Nu het aantal werkenden al jaren flink daalt ten opzichte van het aantal gepensioneerden (vanwege massa-emigratie en weinig kindertjes), zit er een groot gat in de pensioenpot. Dat gat wordt gedicht uit de rijksbegroting, er blijft dus minder over voor onderwijs, zorg en wegen.

Dat omslagstelsel is in veel landen een zogenaamde tijdbom. Maar waar Roemeense burgers over bozen is het feit dat veel goedbetaalde mensen in de publieke sector bijzondere pensioenvoorwaarden hebben. Het trefwoord in het Roemeens is “pensii speciale”. Het komt erop neer dat een aantal categorieën overheidswerkers een volledig pensioen krijgen, ook al hebben ze minder jaren gewerkt.

Burgemeesters, wethouders, rechters, openbaar aanklagers, medewerkers van de gerechtelijke politie en de geheime diensten, parlementair ambtenaren (inclusief chauffeurs en schoonmaaksters), piloten, cabinepersoneel, diplomaten, consulair medewerkers en militairen krijgen speciale voorwaarden. Voor de meesten van hen geldt dat 25 dienstjaren (in plaats van 35) genoeg is voor een volledig pensioen. En als iemand in deze categorie ook in aanmerking komt voor een ‘gewoon’ staatspensioen, krijgt hij of zij ze allebei.

Dus je kunt een 47-jarige ex-politieman zien genieten van zijn pensioen terwijl hij daarnaast een beveiligingsfirma runt. Voormalige rechters worden advocaat, met behoud van pensioen. Dat is wrang voor ouwe mensen die iedere leu moeten omkeren.

De EU heeft nu aan een grote geldpot als voorwaarde verbonden dat dit stelsel van bijzondere pensioenvoorwaarden moet worden herzien. Het bestaat ook nergens anders in Europa.

En alle bijzondere categorieën morren. Rechters zijn al begonnen met stiptheidsacties (die mogen van de wet niet staken). Daarbij voeren ze argumenten aan in de sfeer van: ons werk is zwaar en wordt steeds zwaarder. We moeten werken onder slechte omstandigheden met veel beperkingen. Deze pensioenen zijn ons toegezegd en dus hebben we onze loopbaan erop ingesteld; we hebben er recht op.

Op zich steekhoudende argumenten, maar voor de verkeerde discussie. De vraag die de bevoordeelden zich zouden moeten stellen is: ga je van het rechteren, wethouden en al die andere activiteiten structureel eerder dood?

Zo nee, dan is een volledig vroegpensioen niet eerlijk.

Stoepjes

Boekarest is verdeeld in sectoren, een soort van deelgemeenten. Wij wonen in Sector 3. De sector beheert de niet-doorgaande wegen en het openbaar groen op zijn grondgebied. Zo zijn er grote verschillen (ontstaan) tussen de sectoren. Sector 3 is relatief groen en daar maakt de sectorburgemeester goede sier mee. Als er verkiezingen naderen dan wordt volop reclame gemaakt met het aantal geplante bomen. Want dat vinden de kiezers fijn.

Wat kiezers ook fijn vinden is parkeren. Daarom wordt er ook werk gemaakt van parkeerbeheer. Het aanvragen, toewijzen, veranderen of intrekken van parkeervergunningen gaat bijna automatisch, via een app. En als er verkiezingen naderen dan wordt volop reclame gemaakt met het aantal nieuwe parkeerplaatsen in de sector.

Nou hebben veel burgers wel zo hun voorkeur voor het ene of andere doel, sommigen willen liever het gemak van hun auto voor de deur en anderen willen liever groen zien dan auto’s. Maar er is maar één openbare ruimte en dus moeten er afwegingen worden gemaakt.

Voor een deel doet de gemeente dat heel handig, door altijd te vermelden hoeveel parkeerplaatsen en bomen erbij zijn gekomen maar nooit hoevel er zijn verdwenen in diezelfde periode. Het saldo blijft dus gissen. En in een nieuwe buitenwijk achter die van ons worden bij de bouw van de enorme appartementencomplexen ook joekels van parkeergarages gebouwd, zodat auto’s minder ruimte innemen en er meer overblijft voor groen.

Maar het sectorbestuur is ook dol op stoepjes en hekjes. Onze wijk stamt uit de jaren zestig, een communistisch arbeidersparadijs met brede boulevards, een uitgestrekt park en alleen maar flats. Al die flats worden omringd door bomen en struiken en dat groen is weer afgebakend met hekjes. Tot voor kort waren dat verveloze hekjes van ijzerdraad die altijd voor de verkiezingen werden bijgeverfd door de medewerkers van de groenvoorziening. Nu wordt dat verfritueel verleden tijd, omdat de oude hekjes de laatste maanden massaal uit de grond worden gerost en vervangen door verzinkte hekjes.

Een aantal jaar geleden was de gemeente overal bezig met het vervangen van de oude, verbrokkelde communistische stoepranden door nieuwe stoepranden van ter plekke gestort beton. Die nieuwe stoepranden hadden een vuilroze kleur en brokkelden nog veel sneller af. Je hoefde er maar naar te kijken en hup daar ging weer een brok. Daar werd op Facebook en in de pers natuurlijk over geschamperd, want wat worden onze belastingcenten toch weer goed besteed.

Sinds halverwege vorig jaar worden al die brokkelranden vervangen door keurige solide betonranden van sjieke voorgevormde elementen. Het staat een stuk beter en ik denk dat de inwoners van andere sectoren groen zien van jaloezie. Maar het wordt nog beter: de trottoirs zelf die in Roemenië traditioneel met asfalt zijn bedekt (net als in Frankrijk en België) worden in onze wijk vervangen door van die typische stoepstenen die je in Nederland in winkelstraten tegenkomt, van die roodbruine rechthoekige. Heel fraai.

Bij de buurflat: Een gister aangelegd stoepje met het zand er nog op

Stomme en saaie mensen die niet van stoepjes houden en tegen de huidige burgemeester hebben gestemd, zoals ik, vinden dit allemaal verspilling van belastinggeld en vermoeden dat deze werkzaamheden alleen worden uitgevoerd om de zakken van de burgemeestersvriendenkliek te spekken met wat er uit de bevolking kan worden geknepen.

Maar zelfs die mensen, zoals ik, moeten toegeven dat de wijk er mooier van wordt, en zoals het adagium in de openbare ruimte geldt: mooier is beter. Net als parkeerplaatsen en bomen zorgen mooie hekjes en stoepjes ervoor dat dat de wijk er schoner en welvarender uitziet, en die indruk kan weleens een self-fulfilling prophecy wezen.