Bouman's Blog

Leven en werken in Roemenië

Archief voor de tag “gezondheid”

Operatie geslaagd, patiënt geroosterd

Ziekenhuis Fundeni, chirurgiegebouw

Ziekenhuis Fundeni, chirurgiegebouw

Mijn schoonmoeder is afgelopen dinsdag met succes geopereerd. In een 9 uur durende operatie heeft professor Irinel Popescu, de plaatselijk aanbeden en nurksige arts die geen smeergeld wil hebben, met zijn team al het kwalijke nagekeken en weggesneden. Althans dat hopen wij, want er moeten nog wat resultaten komen van onderzoek. De chirurg was tevreden, dus dat is alvast goed nieuws.

Na een dag mocht de patiënt van de intensive care af en ligt nu op zaal te herstellen van de operatie. Ana gaat iedere dag, maar ik was vandaag voor het eerst ook op bezoek.

Het gebouw op de foto is een kolos in sovjetstijl. Het heeft in tegenstelling tot de aanpalende panden een verfje gehad en stond vandaag majestueus in de voorjaarszon. Het gebouwtje midden onderaan is een nieuw bijgebouw, waar ambulances makkelijk naar binnen kunnen rijden. Dit is veruit het grootste oncologisch centrum van het land. Een bewaker had zich lui op een stoeltje geïnstalleerd en wuifde me verder. Verder de ingewanden van het gebouw inwandelend, maakten frisgeverfde wanden en designwachtbankjes plaats voor afgeleefde linoleumvloeren en dito tegelwanden.

Mijn schoonmoeder ligt op een kamer met vijf andere vrouwen rood aan te lopen. De voorjaarszon schijnt al krachtig en één kamergenoot verzet zich dwingend tegen het openen van de ramen. In Roemenië is het geloof in dodelijke tocht springlevend. Van de lamellen voor de ramen is de helft verdwenen en een airco is er op de hele gevel niet te vinden. Dit alles zal het genezingsproces al niet bevorderen, maar veel erger is het personeel. Dat wil zeggen, het gebrek aan personeel.

Artsen en verpleegkundigen verlaten Roemenië als geldschieters een noodlijdend bedrijf, zodat er op de verpleegafdeling maar héél weinig zusters zijn. De zusters die er zijn, laten zich zelfs met smeergeld niet verleiden tot een actieve houding. Men komt injecties geven en als je mazzel hebt de drainagezak verversen, maar dan heb je het qua service wel gehad. Moet er iemand ’s nachts naar de wc, maar kan niet uit bed komen? De wc is op de gang, er is geen po en een verpleegster is onvindbaar. Succes.

Zodoende hebben veel patiënten een onofficiële begeleider bij zich. Mijn schoonvader heeft vrij genomen van zijn werk (hoewel dat eigenlijk niet kon, hij is docent) en levert mantelzorg in het ziekenhuis. Er is voor begeleiders geen plaats ergens, dus hij zit de hele dag in de vensterbank of op een wrakkig stoeltje. ’s Nachts is er een standaard ritueel, waarbij de bewaker eerst de formaliteiten in acht neemt door alle ‘bezoek’ naar huis te sturen maar vervolgens een oogje dicht te knijpen wanneer men stiekum blijft zitten. Slapen doet mijn schoonvader dus ook op een stoel.

Ik vermoed dat de hele toestand behalve uit geldgebrek, door onwil, corruptie en gebrek aan organisatievermogen blijft voortbestaan. Verbeteringen zijn er wel, maar die gaan langzaam en als je nu in het ziekenhuis ligt heb je er niets aan. Privéziekenhuizen zijn er wel, maar voor de meeste Roemenen te duur. En kankerbehandelingen doen die nauwelijks, want niet winstgevend.

Ana doet wat ze kan, maar heeft thuis een minimensje om voor te zorgen. Komende week komt een buurvrouw van op het dorp een week op een stoeltje slapen. Hopelijk mag mijn schoonmoeder snel naar huis! Wordt vervolgd.

Het eind van Boekarest

Na het tentamen vanochtend – je hebt hier alleen maar veel te moeilijke en belachelijk makkelijke tentamens lijkt het – had ik besloten om de rest van de dag niet te studeren.

De auto moest naar de APK (dat heet in Roemenië ITP – Inspectia Tehnica Periodica) en ik had gister voor een lieve duit al nieuwe remschijven laten monteren, dus dat was een mooi zaterdagklusje. Nou had Ana gehoord dat je alleen met een goed opgewarmde motor naar de ITP moet gaan, dus ik eerst een eindje rondrijden in de stad. Kom ik in de file met winkelpubliek uit de provincie terecht. Toen ik bij het keuringsstation aankwam, gingen ze al bijna dicht; een helaasje.

Dan maar een wandeling maken. Ik ken onze buurt nu vrij goed, maar er is een bochtig zijstraatje achter ons geometrisch perfecte flatwijkje dat ik moest verkennen. Dat straatje bleek te leiden naar een na de revolutie onstaan villawijkje, met betonnerige villa’s in het groen. Erg leuk contrast met het oudere deel van de buurt, vooral omdat de huizen tussen de bomen stonden, er overal sneeuw lag en de weg onverhard was.

Via dit achterlangsje kwam ik opeens uit bij de Billa – een soort hele grote Aldi – achter het kerkhof Dudesti. Daar begint een wijkje flats van tien hoog, ingeklemd tussen drie verkeersaders, waar de mensen mistroostig door de sneeuwblubber waden. Toen dacht ik: veel stedelijk schoon is hier niet te vinden, ik ga eens kijken waar de stad ophoudt. Gelukkig wonen we aan de oostrand van de stad, dus ik hoef daar geen uren voor te lopen.

Vanaf de Billa ging het oostwaarts, via google kunt u meekijken, almaar oostwaarts, langs steeds treuriger flats aan de overkant van de boulevard ‘1 december’ (dag van de eenwording – nationalefeestdagtechnisch gezien vrij fris), waar tot mijn verbazing dan weer wel een flink aantal flats was opgeknapt via het landelijke piepschuimisolatieprogramma.

Na honderd meter werden de flats langzamerhand steeds frequenter afgewisseld met rijtjeshuizen, waarvan er een paar zó in Nederland hadden kunnen staan. Qua vorm. Als ze tenminste niet uit oranje met geel geschilderd beton waren opgetrokken. Rijtjeshuizen gingen over in villa’s: de een in rococo, de ander in een soort abstract expressionisme en de derde een blokkendoos alsof de geest van Ceausescu erin was gevaren. En in de verte was het al zichtbaar: het Eind van de stad.

Het eind is natuurlijk nooit een echt eind. Her en der staan fabrieken, een enkel huis is als voorpost buiten de stadsgrens opgetrokken. Maar toch: een duidelijke grens. Er is daar aan de oostkant van de stad een Laatste Straat, en daar heb ik gelopen. Hij liep trouwens dood, dus ik moest al snel weer terug. Maar het eind van de stad heb ik gezien vandaag.

De terugweg was heel wat minder aangenaam. Zo’n honderd meter voor het bereiken van de eerste flatrij kwam ik langs een troep wilde honden, die langs de schutting van een leeg perceel kampeerden. Wilde honden zijn nogal in het nieuws omdat er laatst weer iemand is doodgebeten. De discussie over afmaken of opsluiten is meteen weer opgeflakkerd, maar die schijnt al tien jaar te duren. Hoe dan ook, twee honden kwamen blaffend op me af. Er zijn heel veel loslopende honden in de stad dus ik was eerst niet erg bezorgd. Ik liep rustig door, maar toen ze achter me aan bleven komen en er zelfs een in mijn been probeerde te bijten, werd ik toch wel benauwd. Ook zonde van mijn enige spijkerbroek, want daar heeft die hond een keurige scheur in gebeten.

Het woudlopershandboek zegt in zo’n geval dat je rustig moet blijven doorlopen en niet moet laten zien dat je bang bent. Dat was ik eerlijk gezegd wel, maar ik ging niet sneller lopen en deed zelfs nu en dan een dreigende stap terug richting de honden. Dan stapten ze voor heel even wat achteruit. Zo ging het verder tot ik blijkbaar in een ander hondenterritorium kwam, want er kwam een andere troep honden voor de aflossing zorgen. Er was niemand op straat, maar het feit dat ik nu vlakbij de eerste flat was had op mij een hoopgevend en op de honden een ontmoedigend effect.

Ik was blijkbaar in een zigeunerbuurt beland, want opeens zag ik alleen maar zigeuners om me heen. En wie kwam ik tegen: de mevrouw-met-kind-op-de-arm die altijd bij onze buurtsuper naar aalmoezen staat te hengelen. Ze kwam blijkbaar net van haar werk bij onze buurtsuper, want ze liep daar heel forensachtig met een plastic tasje boodschapjes richting huis. Ik weet zeker dat ze me herkende want ik weiger altijd allervriendelijkst om geld te geven.

Even verder kwam ik ineens uit bij de Auchan (Franse keten van megasupermarkten, ook in Roemenië) en was ik nog maar vijf minuten wandelen van huis.

Later ben ik toch nog maar even een rabiësprik gaan halen bij de Matei Balskliniek in het centrum, want hoewel op mijn been niks te zien was moet je daar heel erg mee oppassen heb ik begrepen. Dat was op zichzelf een heel avontuur want ’s avonds is het daar heel spaarzaam verlicht en de kliniek bestaat uit wel tien vooroorlogse gebouwen en gebouwtjes, dus ik heb wel even over het terrein gedwaald (tussen de zwerfhonden!) voor ik bij de rabiëspoli was. Eenmaal daar werd ik liefderijk opgevangen door drie verpleegsters en twee artsen. Een verpleegster bestudeerde mijn identiteitsbewijs en riep vertederd: Ik ben getrouwd in jouw geboortejaar!

Maar goed dat ze aardig waren want wat blijkt: voor zo’n rabiësprik moet je nog vier keer terugkomen… Zo leidt een wandeling tot een hoop extra wandelingen!

Je geld of je leven

Vorige week sprak ik een arts over ditjes en datjes. Bleek, hij had emigratieplannen. Ierland of Engeland, verdien je zo 4000 euro als chirurg zei hij. Dat is tien keer zoveel als hij in Roemenië verdiende, letterlijk tien keer zoveel.

Maar, zei ik geniepig, van die 400 euro kan je toch die BMW niet betalen? Nee dat klopte wel, maar de smeergeldontvangsten liepen terug dus het water stond hem aan de lippen. En zelfs in goede tijden was het geen pretje met dat smeergeld. Hij zei, ik kan het niet opgeven bij mijn salaris als ik een hypotheek wil nemen bijvoorbeeld. Alles moet in cash… En smeergeld schept ook verplichtingen. Als iemand mij eenmaal honderd euro heeft gegeven, dan moet ik ook in het weekend langsgaan bij het ziekenhuis om te kijken of hij het goed maakt.

Zo heeft iedereen zijn problemen. Roemeniës brain drain is al tijden ook een uitstroom van artsen, vooral jonge.  Niet alleen het lage salaris is voor hen een probleem, of de semi-illegaliteit van hun inkomen (voor velen hoort het er gewoon bij), maar het is ook erg frustrerend om op tv te zien hoe westerse ziekenhuizen zijn uitgerust, terwijl in Roemenië alles van de overheid langzaam weg staat te rotten.

Dat alles zijn bekende verschijnselen. Toch is het erg jammer om te zien dat er maar heel weinig mensen in Roemenië zijn die iets willen doen om de status quo te veranderen. Hier en daar wat studenten of andere jongeren, drie bevlogen groene politici en dan houdt het wel een beetje op. Als er hier een elan zou ontstaan van ‘we zullen hier wel eens eventjes de boel opschudden’ dan zou het snel een stuk beter worden. Want als ze eenmaal enthousiast zijn dan zijn Roemenen in korte tijd tot heel veel in staat. Helaas gaan ze dat voorlopig vooral in het buitenland doen.

Met dank aan Japan

In de komkommertijd heb ik me blogmatig stevig koest gehouden, maar nu de pruimentijd is aangebroken (ze zijn rijp voor de țuică) gaat ook het schrijfseizoen weer van start.

Na een fijne vakantie op het platteland is onze spruit (bijna 3!) weer naar de crèche gegaan. Dat was natuurlijk even wennen, maar het wennen duurde niet lang. Ook een seizoensdiarree schijnt erbij te horen als kinderen weer in contact komen met een grote groep andere kinderen.

Daarna volgde echter verstopping en daar komen we minder makkelijk vanaf. Via het werk zijn we geabonneerd op een firma voor medische dienstverlening, die hebben onder andere een hulplijn 24/7. Wij gebeld, allerlei middeltjes voorgeschreven gekregen. Niks hielp behalve een glycerinezetpil, maar dat was toch wel een paardemiddel dat je niet te vaak moet gebruiken. Dus wij vanochtend maar eens naar de dokter.

In Roemenië ga je daarvoor niet naar de huisarts maar naar de kinderarts, en die was niet erg verontrust. Toch verwees ze ons door naar het ziekenhuis onder het motto ‘dat kan geen kwaad’ en wij dus naar kinderziekenhuis Grigore Alexandrescu. Roemeense ziekenhuizen staan zeer slecht bekend, maar het viel op zich best mee. Er stonden geen eindeloze rijen gesticulerende familieleden. Het personeel slofte niet hologig en/of vijandig kijkend voorbij. er waren geen luikjes waar je je helemaal doorheen moest buigen om iemand te spreken (sterker nog, er was geen receptie). De artsen waren vriendelijk, we werden vriendelijk behandeld ondanks dat we niet met smeergeld stonden te wapperen, en we werden het hele circuit doorgesleept.                                                                                                                                                                                                  

Grigore Alexandrescu Hospital

Gesprekje met de arts, lichamelijk onderzoek, röntgenfoto, röntgenfoto bespreken, diagnose (‘verstopping’) en per se morgen terugkomen, naar een andere arts, weer lichamelijk onderzoek, diagnose (‘verstopping’) een poedertje voorgeschreven en morgen nog maar eens bellen.

Het röntgenapparaat was van de firma Toshiba en had wel tien stickers waarop stond: ‘Official aid from Japan’. De eerste verpleegster had een jasje aan met ‘Verpleegster die-en-die, huppeldepupziekenhuis, zus-en-zo, Duitsland’. De tweede verpleegster had een jasje aan waarop stond ‘Isala klinieken, Zwolle’. De arts die ons het poedertje voorschreef liep rond in een jasje van ziekenhuis De Gelderse Vallei.

Dus ik zeg, blijf alsjeblieft die spullen sturen uit Nederland en we kunnen op de binnenplaats van het ziekenhuis wel wat nieuwe bankjes gebruiken. Blauwe graag.

Wat, geen kuurtje?

Af en toe heb ik een virusje of een ander kwaaltje onder de leden. Sinds gisteravond heb ik pijn an m’n oor en voel ik me wat grieperig. De betere internetter heeft voor diagnoses geen dokter meer nodig, dus ik had al snel mijn oordeel bij elkaar gesurfd: een oorontsteking. Mijn werktempo is vandaag wel stukken lager, maar reden voor alarm zag ik niet.

Toch maar eens de dokter bellen. Via Ana’s werk hebben we een soort van ziektekostenverzekering waardoor we bij een privékliniek terecht kunnen, en die zijn gewoon telefonisch bereikbaar. Ik vreesde met groten vreze voor een antibioticakuur, want de ervaring is dat Roemeense dokters daar erg scheutig mee zijn. Onze Yana krijgt bij het minste of geringste niesje amoxiciline in d’r mik.

De receptioniste verbond me door met een arts, want ik wilde eerst kijken of ik telefonisch wijzer kon worden. Scheelt een hoop tijd. Ik legde de verschijnselen uit, de arts stelde wat vragen, opperde dat ik wellicht in de tocht had gestaan (die had ik aan zien komen), maar zei na enig nadenken: ‘Medicijnen lijken me eerst niet nodig. Neemt u tweemaal daags een ibuprofen en als het over drie dagen niet over is moet u langskomen.’ Ik viel bijna van mijn stoel (was niet bevorderlijk geweest voor mijn gezondheid), en heb me voorgenomen om de lezers dit bericht toch vooral niet te onthouden.

Bij deze dus. Een stukje evenwichtige berichtgeving 🙂

Berichtnavigatie