Het mag geen naam hebben

Het is dezer dagen volop herdenken geblazen van de gewelddadige ontruiming van het Universiteitsplein in 1990. Ion Iliescu, de aartsschurk, gevierde éminence grise van de sociaal-democraten en zeer waarschijnlijk hoofdschuldige aan de gebeurtenissen, staat weer eens in de schijnwerpers. Familie van de slachtoffers is 20 jaar na dato nog wanhopig op zoek naar de waarheid, Iliescu publiceert zijn memoires. Kenmerkend voor Roemenië dat zo’n man vrolijk rondloopt – er heeft hier geen postrevolutionaire zuivering of verzoening plaatsgevonden, dus de revolutie en de ontwikkeling van het land sindsdien zijn voor veel Roemenen onverwerkte problemen.

Hoofdrolspeler in dat recente verleden is de kliek van invloedrijke personen en hun families, wier politieke partijen elkaar afwisselen aan de macht. De huidige regering-Boc heeft net een motie van wantrouwen overleefd vanwege de bezuinigingen, maar als je zag hoe huichelachtig verontwaardigd de politieke oppositie tekeer ging (“De regering bestaat uit idioten!”) zou je bijna denken dat ze zichzelf onschuldig achten aan twintig jaar wanbeleid. Zo niet, dan zijn het toch uitstekende acteurs…

Het klopt natuurlijk wel dat het moeilijke tijden zijn. Een journalist verzuchtte “Het lijkt wel of alle crisis uit de rest van Europa nu hier is gekomen”. De Amerikaanse ambassadeur werd door dagblad Evenimentul Zilei geciteerd “Er is behoefte aan een transparant rechtssysteem, zonder corruptie, en aan een regering die rationele en voorspelbare beslissingen neemt.” Commentaar van de krant was, dat ook de Amerikanen er blijkbaar genoeg van hebben.

Maar rationele en voorspelbare beslissingen, dat gaat me toch echt te ver. Dat hebben we in Roemenië helemaal niet nodig. Waar zouden anders de pareltjes blijven zoals uit een krantenbericht dat ik las:

De dienst begraafplaatsenbeheer heeft 85.000 euro uitgetrokken voor mobiele wooncontainers voor de werknemers van de begraafplaatsen. De directeur gaf als reden aan, dat de arbeiders die de graven scheppen en het begeleidend personeel voor begrafenissen tot ’s avonds laat moeten werken, in plaats van tot de CAO-tijd van 16.30. Waarom dan? Nou, dat komt door de moslims en de zigeuners. Die willen namelijk altijd na zonsondergang worden begraven.

Desgevraagd verklaren meerdere lokale moslimleiders dat dat onzin is. Moslims moeten juist vóór zonsondergang worden begraven! En de zigeuners dan? De vereniging van Romi is verontwaardigd: Dit is ongehoord! Het klopt dat bij onze begrafenissen altijd een fanfare is, maar dat gebeurt nooit ’s nachts. In de eerste plaats vinden veel Romi het eng om ’s nachts op een begraafplaats te komen, en in de tweede plaats: de meeste Romi zijn Roemeens-orthodox!

Dat is toch prachtig. Laatst begon de minister van Binnenlandse Zaken over een nieuwe lening van het IMF, maar die van Financiën gaat erover en ontkende in alle toonaarden. Weg met de gesloten rijen en regeringen die met een stem spreken. Dit is veel leuker! Ik houd u op de hoogte…

Firea versus Boureanu

In de online editie van dagblad EVZ las ik vandaag het verslag van een televisie-uitzending van gisteravond. Een heethoofdig parlementslid heeft flink zitten ruziën met de presentatrice van een praatprogramma, waar hij in optrad. Dit soort taal hoor je niet iedere avond op TV, zelfs niet in het verbaal bloemrijke Roemenië.

Een klein stukje uit de transcriptie heb ik even vertaald. Gewoon omdat het mij zo mooi exotisch voorkomt. Bovendien heb ik er oprecht bewondering voor hoe mensen dit geheel onvoorbereid en vol overgave te berde brengen.

Gabriela Vrânceanu Firea: Maar meneer Boureanu, wat hebt u dan gegeten? Hebt u soms iets verkeerds gegeten voor de uitzending?
Cristian Boureanu: Ik weet het niet. Ik hier bij jullie iets gegeten. Op tafel stond wat u hier iedere avond eet.
Gabriela Vrânceanu Firea: Iets van de grond misschien? Of iets uit het toilet? Heeft u dan geen enkele gêne?
Cristian Boureanu: Wat stelt u mij onbeschofte vragen! Ik verlaat de uitzending niet, dat u het even weet. Ik blijf hier zitten, ik glimlach vriendelijk en stel u de vraag, of u weleens aan de heer Tăriceanu heeft gevraagd wat hij met die geïnvesteerde drie miljard…
Gabriela Vrânceanu Firea: Meneer Boureanu, hebt u uw temperatuur opgenomen? Misschien heeft u koorts!
Cristian Boureanu: Nee, ik heb geen koorts. Ik voel me prima en ontspannen. Ik kijk u aan, ik stel wat vragen en stel vast dat u daar niet tegen kunt.

Gabriela Vrânceanu Firea: En degene die gezegd heeft dat u die jongen bent met snot in z’n haar had gelijk.
Cristian Boureanu: Gaat u me nu beledigen? Heeft u minnaar dat soms gezegd?
Gabriela Vrânceanu Firea: Mijn minnaar? En wat te denken van uw minnares, uw bedrijven? Ik vind het ongelooflijk…

Kleintjes

Wie een beetje van Roemenië weet, kent natuurlijk de ‘mici’ of ‘mititei’, een van de nationale culinaire symbolen. Boze tongen beweren dat het op de hele Balkan bij het volksvoer hoort, maar dat is natuurlijk een vuile leugen. Nee, mici (of mititei – beide woorden betekenen ‘kleintjes’) vormen het hart van de Roemeense voeding en daarmee van de Roemeense ziel. Bovendien zijn ze enorm lekker, en makkelijk klaar te maken. Je moet wel bijzonder je best doen om op de barbecue de mici (of mititei) te laten mislukken. Beetje mosterd erbij, etc.

Alleen, ze zien er zo onappetijtelijk uit. Wie wel eens mici (ofwel mititei) in het wild heeft gezien slaat, zeg maar, niet meteen steil achterover van de visuele aantrekkelijkheid. Dit voluptueus gekruide voedselproduct lijkt, als men het zonder context in beschouwing neemt, meer op een… kijkt u zelf maar.

miciIk bedoel, als u het op de stoep ziet liggen, trapt u er niet in. Maar met deze revelatie hebben we volgens mij meteen een fundamenteel probleem van de Roemeense samenleving blootgelegd.

Veel Roemenen zijn namelijk niet erg te spreken over Roemenië. Ze lopen rond met emigratieplannen of hebben zich in moedeloze berusting maar beperkt tot het doppen van uitsluitend hun eigen boontjes. Desgevraagd verklaart menig Roemeen dat het hier een shitland is.

Ik zeg dan: logisch, met zo’n object als nutritieve volksziel. En de oplossing is heel eenvoudig (als je het eenmaal weet). We geven die Serviërs gewoon hun mici (mititei) die ze toch al claimen als hun eigen, zijn we hier in Roemenië verlost van deze erfenis met een luchtje, en kan de wederopbouw eindelijk beginnen!

CASMBWTFGRMBL

Onder alle de burger tegenwerkende overheidsdiensten neemt het ziekenfonds een speciale plaats in. Het Huis (of ‘kas’, kan ook) der Sociale Verzekeringen, in Boekarest voluit Casa de Asigurări Sociale Municipiului București, wankelt op de fundering. 

Aan de website zie je het er niet af, die is informatiever dan de meeste. Op www.casmb.ro vind je zelfs op de startpagina de openingstijden. Maar dan houdt het qua goed nieuws wel een beetje op. 

Roemenen in loondienst (en de ondernemers die zo slim zijn om alles door hun boekhouder te laten doen) hebben niet vaak last van deze instantie. En dat is maar goed ook, anders brak meteen de revolutie uit. Nee, de slachtoffers van CASMB zijn kleine zelfstandigen, gepensioneerden en eigenwijze buitenlanders die denken dat ze alles zelf kunnen. 

Zodoende stapte ik op een goede dag weer eens de spelonken op Calea Moșilor binnen. De burelen van deze afdeling zijn gevestigd in de administratieruimten van de voormalige staatswasserij ‘Nufărul’, in een afbrokkelend pand bevolkt door afbrokkelende mensen. De arme vrouw die mij te woord stond zag eruit alsof ze een week niet had geslapen. 

Ik was daar omdat dat moest van de immigratiedienst. Daar zeiden ze: als u niet meer in loondienst bent, moet u zelf maar aantonen dat u uw ziektekostenpremie betaalt. En daarvoor moet je naar de CASMB, voor een bewijsje (Adeverință de Asigurat). Een printje uit de database, zou u zeggen. Niets is minder waar. 

De CASMB verzamelt allerlei gegevens, tot wanhoop van menig werkgever die ze moet aanleveren, maar is niet in staat om deze te reproduceren. Wil je een bewijs dat je je premie hebt betaald, dan moet je aan deze koningen der incompetentie zélf de kwitanties daarvan overhandigen. Vervolgens moet je bij de notaris een verklaring afleggen over sinds wanneer je een geldige verblijfsvergunning hebt – hetgeen ook op de vergunning zelf staat. Samen met nog wat andere papieren gaat dit in een dossier, en ruim een week later mag je weer in de rij staan om het oordeel te horen. 

Ik ben normaal gesproken zeer mild, maar deze procedure schoot me toch even in het verkeerde keelgat. Bestaat er niet een afdeling Administratieve Lastenverlichting bij het Roemeense ministerie van Binnenlandse Zaken? Zonee, zou dat niet een idee zijn? Er is ook al een corruptietelefoon. Waarom geen Kafkatelefoon? Ik heb niet veel fiducie in het effect van zoiets, maar wellicht heeft het therapeutische werking…

Australiërs

Na mijn uiterst gebalanceerde bijdrage over bepaalde Australiërs van gisteren, hier de echte beschrijving van een ware gebeurtenis van heden deze ochtend:

In mijn poging mezelf onder te dompelen in de Roemeense samenleving – wie weet kan ik mezelf er ooit nog aan de haren uittrekken ook – (op voorwaarde dat ik dan nog haar heb, natuurlijk) koop ik iedere dag de krant. Op woensdag komen daar de satirische weekbladen bij en op donderdag het gezaghebbend en cultureel verantwoorde weekblad, waarvan ik de naam steeds vergeet.

De verkoper, die mijn tronie inmiddels vaak heeft zien opdoemen achter zijn stapels pers, vindt mij aardig omdat ik vaak gepast betaal. Vandaag had hij echter een enigszins zorgelijke uitdrukking op zijn gezicht. ‘U moet weten, en het is niet om het een of ander, maar ik had een soort van weddenschap, zeg maar, en het is beslist niet vervelend bedoeld hoor en u moet het dus ook niet ernstig opvatten, maar in die weddenschap had ik gedacht dat, en het is beslist niet serieus bedoeld, ik dacht dus dat u… een Australiër bent!’

Hoopvol keek hij me aan. Ik zeg, ik ben wel uit het buitenland, maar van je eigen continent. Ik kom uit Nederland. Dat was duidelijk minder exotisch voor de krantenman. Maar toen ik vertelde dat ik hier permanent woon, stak hij hartelijk zijn hand door het luikje, schudde de mijne en riep: ‘Welkom!’

Het concert van de eeuw

Als u in de jaren ’80 jong was en/of eind vorige eeuw van klassieke hardrock hield, zegt de naam AC/DC u misschien wel wat. Het gaat om een band van een stel foeilelijke Australiërs, die door muziek noch teksten in de annalen te hoeven worden bijgeschreven.

Toen deze heren echter besloten om naar Boekarest te komen, werd de hele binnenstad rondom het parlement afgezet, kwamen er 60.000 bezoekers en kon je geen krant, website of tv-programma raadplegen of het ging over AC/DC. Zelfs Evenimentul Zilei stond er bol van. Toegegeven, ik heb die muziek nooit gepruimd (zeker niet in vergelijking met de oudere helden zoals Led Zeppelin en Deep Purple, of de nieuwere helden zoals Metallica), maar deze media-aandacht ging zover de perken te buiten dat er maar een conclusie overblijft:

Er is een samenzwering aan de gang tussen het internationale industriële complex, ex-communistische krachten, neokapitalisten en de liberale regering. Het volk moet vooral meer en grotere spelen krijgen, want op het brood moet bezuinigd worden. Waar dit toe leidt kan goed samengevat worden met een albumtitel van AC/DC: Highway to hell.

Aargh

Er gaan over verzekeringsbedrijven in Roemenië de verschrikkelijkste verhalen. Allemaal waar, dat verzeker ik u. Ook wij kunnen erover meepraten. Dat het in ons geval om de firma Carpatica Asigurări gaat, zal ik niet onthullen. Dat zou flauw zijn. 

Een reisverzekering is iets dat wij graag bij gelegenheid aanschaffen. Je zal, per slot van rekening, maar een been breken. Helaas herinneren we ons dit vaak pas op het vliegveld, waar je slechts de keus hebt uit twee verzekeringsmaatschappijen. Ik heb ook weleens geprobeerd na aankomst op Schiphol een reisverzekering af te sluiten, maar daar trapten ze niet in. 

Die twee verzekeringsmaatschappijen zijn beide even slecht. Dat hebben wij proefondervindelijk vastgesteld. De ene heeft ons een claim van een paar honderd euro door de neus geboord vanwege de kleine lettertjes. Op zich is het natuurlijk eigen risico als je die niet leest, maar in dit geval was ons eerst ruimschoots verzekerd dat de claim wel degelijk gehonoreerd zou worden. 

De andere verzekeringsmaatschappij is dus die Carpatica. Is ook een bank van, maar dat terzijde. Toen we bij hen ziekenhuiskosten wilden declareren, moesten we zaken doen via een tussenpersoon, Coris. Die waren maandenlang niet in beweging te brengen, totdat Ana per telefoon ze even de oren heeft gewassen. Alles was ineens geregeld, we hoefden alleen nog maar even de originele facturen te komen brengen. 

Dus ik met die facturen naar hun kantoor. Wat bleek: ze hadden het dossier gewoon afgesloten en overgedragen aan de verzekeraar zelf. Originelen? Die moet u opsturen naar Sibiu, meneer. Pff. 

Een maandje na het opsturen niks gehoord, dus maar weer even gebeld. Ze hadden de documenten ontvangen, maar er waren nu weer een hele hoop andere documenten nodig. Waar niemand het van tevoren over gehad had. Waaronder bijvoorbeeld de hele medische voorgeschiedenis van betrokkene. Hoe kon ik die documenten het beste opsturen? Gewoon naar een van onze kantoren in Boekarest gaan, die regelen de rest. Ook bij kantoor X? Ook bij kantoor X. 

Bij kantoor X aangekomen bleek dat daar heel aardige mensen werkten, die evenwel ‘niet over de juiste formulieren beschikten’. Mijn suggestie om ze dan even te downloaden van het netwerk en te printen veroorzaakte beschaafde hilariteit. Nee, het enige kantoor waar deze formulieren waren was in het centrum. Ik met de taxi naar het centrum. De ingang van het gebouw was een zijdeurtje, waarachter een tragisch kijkende bewaakster. Wat komt u doen? Zo-en-zo. Volgens mij is dat niet hier, maar sowieso zijn ze gesloten, ze gaan om vier uur dicht. Hoe laat is het dan? Acht over vier. 

Je kunt zeggen wat je wilt, maar die sluitingstijden zijn in ieder geval een zekerheidje…

How I learned to stop worrying and love IKEA

In iedere reisgids over willekeurig welk land kom je tegen dat het ‘een land van contrasten’ is. Zelfs Nederland, met zijn oneindige laagland, dom kijkende koeien en monotoon zeurende burgers wordt in de gids vercontrasteerd. Vrij naar Herman: De tulpen zijn blauw, de tulpen zijn groen – in Holland is altijd wat te doen. 

Enfin. In Roemenië is dat van die contrasten ook echt waar. Daar zal ik het nog wel vaker over gaan hebben. Ik zou honderden voorbeelden kunnen noemen, maar ik beperk me hier even tot de duurzame consumptiegoederen. Vanwege een recente verhuizing hebben we een hele berg meubels nodig, dus de hele stad afgestruind naar wat wij thuis ‘leuke winkeltjes’ noemen. In Utrecht vonden we soms iets in een artsy grachtenpand, dan weer in een stoffige kelder, bij de kringloopwinkel of op de meubelboulevard – genoeg aanbod in de categorie ‘geen eenheidsworst, maar wel betaalbaar’. Ik liep dan ook met een grote boog om de Ikea heen, want die zaak is er verantwoordelijk voor dat je in iedere Europese huiskamer tegen een Billy aanloopt. De McDonaldization of interiors, om George Ritzer te parafraseren. 

In de categorie ‘leuke winkeltjes’ heb ik in Boekarest echter 0 resultaten gevonden. Genoeg winkelketens waar in de showroom de planken al uit de kast donderen, met van die in authentieke Mexicaanse motieven opgeverfde plastic siervoorwerpen. Genoeg boetieks ‘de fițe’ waar alles belachelijk duur is want ontworpen door Zorro Zamboni, plus ze hebben nooit wat op voorraad. Maar de middenmoot is er niet. Geen normale winkels met normale prijzen waar je toch nog wel eens iets leuks aantreft. Ook met kleren is dat trouwens zo: je kunt nepwollen truien uit China krijgen voor 5 euro, je kunt een Gaultier krijgen voor 500 euro, maar iets van een Hema kan je vergeten in deze contreien. 

Dus als iemand mij vraagt waarom wij het toch in ons hoofd halen om de hele binnenboel uit de Ikea te slepen en ook nog zelf in elkaar te schroeven: daarom dus. En inmiddels vind ik het ook wel best. Vrolijke kleuren, ballenbak om me uit te leven, Zweedse balletjes aan het buffet. En nu ga ik de planken in mijn Billy monteren.

Dinamo – Steaua: 2-0

Vorige week mocht ik met vriend Marius mee naar het foebelen. Hij is – zeer beschaafd- fan van Dinamo Boekarest en die moesten thuis tegen aartsvijand en stadgenoot Steaua, dus wij erheen. Het was mijn eerste betaald voetbalwedstrijd in Roemenië.

dinamo-steaua

Van tevoren had ik me er veel van voorgesteld: ziedende mensenzeeën, spreekkoren, vuurwerk, slagveld. Niets van dat alles. De fans werden efficiënt van elkaar gescheiden gehouden, vooral de harde kernen natuurlijk. De Dinamofans worden ‘rode honden’ genoemd, maar het bleef deze keer bij geblaf. De politiemensen bij de ingang zagen er wat bangig uit, maar de sfeer zat er goed in en dankzij een opzienbarende overwinning van de thuisploeg bleef dat ook zo. De brandweer stond aan de rand van het veld klaar met de spuit, maar hoefde niet in actie te komen. De stewards kleumden kou. Sommige Dinamofans hadden bij 8 graden Celsius toch maar hun t-shirt uitgetrokken. Je weet nooit of je nog eens op tv komt.

Marius vertelde dat de tijd van de grote veldslagen in de stadions wel voorbij was. Afgezien van de inventiviteit van de scheldwoorden (ik heb in korte tijd veel geleerd) ging het er erg vriendelijk aan toe. Een gezellig avondje voetbal, je zou bijna je kinderen meenemen 🙂

Wat, geen kuurtje?

Af en toe heb ik een virusje of een ander kwaaltje onder de leden. Sinds gisteravond heb ik pijn an m’n oor en voel ik me wat grieperig. De betere internetter heeft voor diagnoses geen dokter meer nodig, dus ik had al snel mijn oordeel bij elkaar gesurfd: een oorontsteking. Mijn werktempo is vandaag wel stukken lager, maar reden voor alarm zag ik niet.

Toch maar eens de dokter bellen. Via Ana’s werk hebben we een soort van ziektekostenverzekering waardoor we bij een privékliniek terecht kunnen, en die zijn gewoon telefonisch bereikbaar. Ik vreesde met groten vreze voor een antibioticakuur, want de ervaring is dat Roemeense dokters daar erg scheutig mee zijn. Onze Yana krijgt bij het minste of geringste niesje amoxiciline in d’r mik.

De receptioniste verbond me door met een arts, want ik wilde eerst kijken of ik telefonisch wijzer kon worden. Scheelt een hoop tijd. Ik legde de verschijnselen uit, de arts stelde wat vragen, opperde dat ik wellicht in de tocht had gestaan (die had ik aan zien komen), maar zei na enig nadenken: ‘Medicijnen lijken me eerst niet nodig. Neemt u tweemaal daags een ibuprofen en als het over drie dagen niet over is moet u langskomen.’ Ik viel bijna van mijn stoel (was niet bevorderlijk geweest voor mijn gezondheid), en heb me voorgenomen om de lezers dit bericht toch vooral niet te onthouden.

Bij deze dus. Een stukje evenwichtige berichtgeving 🙂