Tagarchief: boekarest

Wij in de wijk

Iedere stadswijk heeft zijn lokale afbakeningen, waardoor een stad een dorp kan worden. Het wordt vaak van Amsterdam gezegd, dat het zo dorps is. Boekarest lijkt niet echt op Amsterdam (ongeveer drie keer zoveel inwoners, bruto stedelijk product een fractie) maar het kan hier ook echt dorps zijn.

Na een week regen en meer regen in de voorspelling hebben we even een zonrespijt in Roemenië. Het wordt dan meteen tegen de dertig graden, om alle vocht flink weg te stomen voor het weer gaat hozen. Want regenperiodes gaan in Roemenië altijd gepaard met overstromingen van rivieren en riolen.

De zon lokt de burgers uit hun appartementjes. De gekke hollander groet zijn buren, prijst de hoveniersinspanningen van meneer Mihai, sympathiseert met de opgezwollen knie van de overbuurvrouw en gaat boodschapjes plegen bij de buurtsuper (een Belgische keten nota bene).

We hebben hier een echte dorpsgek – een oudere man die, omhangen met moderne elektronica en afwisselend in kostuum of trainingspak – de hele dag over straat loop en in zichzelf praat. We hebben een dorpspomp – tanti Luci kan ons informeren over de meest minutieuze details van het leven aller flatbewoners, hoewel ze bijna de deur niet uitkomt.

Veel buren in onze flat wonen er al sinds het ding is gebouwd midden jaren zestig. Dat komt: onze wijk is aangelegd als arbeidersparadijs. De arbeiders die hem moesten bevolken waren groepsgewijs uit hun huizen gezet bij het gereedkomen van een nieuwe flat, waarna de huizen konden worden platgemaakt en er weer een nieuwe flat kon verrijzen. Veel buren kennen elkaar dus nog van vóór de bouw van de flat, toen ze nog ieder hun eigen huis hadden.

Tot slot hebben we ook de dorpsrust. Af en toe blaft een hond of klinkt de roep van de oud-ijzerkoopman, maar autoverkeer of andere moderne dingen horen we hier nauwelijks. Zodoende kreeg ik een aangenaam urbaan gevoel, toen gisterochtend om 8 uur iemand besloot tot leven in de brouwerij met behulp van een autostereo en Highway to hell van AC/DC.

Negoiță tegen Negoiță

Op 10 juni zijn er in Roemenië lokale en provinciale verkiezingen. Boekarest is verdeeld in zes deelgemeenten, dus je kunt stemmen voor de eigen deelraad en de gemeenteraad van Boekarest. Bij ons in sector 3 gaat de strijd voornamelijk tussen Robert Negoiță en Liviu Negoiță. De laatste is de zittende burgemeester en Robert is van de PSD, de partij die pas een nieuwe regering heeft mogen vormen en ook voor de lokale verkiezingen op winst staat. Dat ze dezelfde achternaam hebben is toeval want ze zijn geen familie. Overigens kan het nog veel gekker, want er is een provincie waar drie (!) verschillende kandidaten Constantin Nicolescu heten.

Eergister kwam er een meisje in onze flat langs de deuren om namens de PSD te informeren naar de belangrijkste problemen en om een poster op te plakken van een campagnebijeekomst van Robert. Die was vandaag, en mooi weer constaterende ging ik met dochterlief eens kijken.  Het evenement vond plaats in het park bij ons naast de deur, dus handig.

Nu is Robert niet de minst controversiële figuur in de Roemeense politiek. Zij huwelijk met een 19-jarig meisje deed stof opwaaien, deze multimiljonair is betrokken bij een prostitutieschandaal waarbij zijn broer een hoofdrol speelt, hij heeft altijd mot met de fiscus die wegens een belastingschuld al eens een hoop onroerend goed van hem heeft geveild. Er loopt een klacht tegen hem van de nationale integriteitsautoriteit én een strafklacht van het anticorruptieparket. Hij is verantwoordelijk voor dit hotelproject (sinds het heengaan van hotel Rossia te Moskou het grootste van Europa), strategisch naast een destructiefabriek geplaatst, waar nu wegens tegenvallende bezetting voor de helft appartementen van zijn gemaakt. Van het hotel dus.

Robert klom op de zeepkist en begon retorische vragen te stellen als: Hebt u ook zo genoeg van de corruptie? Alle bejaarden in het publiek: Jaaaaa… Vindt u ook dat u teveel belastingen betaalt? Jaaaaaa….

Verkiezingsaffiche van Robert: ‘De mens is een passant, maar wat hij opbouwt is voor eeuwig’

Hij fulmineerde tegen de hoge btw (waar de gemeente niets mee te maken heeft), kwam met een plan voor gratis isolatie van alle flats in het stadsdeel (waar in de huidige gemeenteraad ook al een voorstel voor ligt) en stelde de dure vuilophaal- en beveiligingscontracten aan de kaak, die gesloten zijn met firma’s van vrienden van de huidige burgemeester.

Als echte socialist stelde Robert voor om de beveiliging van openbare ruimten en het ophalen van vuilnis door gemeentelijke diensten te laten doen in plaats van een extern bedrijf. Hij had ook een plan voor de zwerfhonden: We kopen op het platteland 3 hectare grond, zetten daar een hek omheen, doen daar de honden en gebruiken al het eten dat mensen en restaurants weggooien als hondenvoer.

Met zijn mierzoete glimlach en theatrale gebaren deed Robert me denken aan een een straatmuzikant, die de mensen met een praatje warm maakt voor zijn volgende schlager. En zo is het ook in de politiek natuurlijk: panem et circem.

Dictatoriaal dobberen

Laatst was de door iedereen uitgekotste Europariamentariër Adrian Severin (smeergeld) weer eens in het nieuws. Voortgang in zijn rechtszaak? Bekentenis? Eindelijk uit het EP gestapt? Think again! Hij was in het nieuws omdat hij bij een symposium een praatje hield over… corruptie in Roemenië. Nou zult u denken, dat is de juiste man want zo’n ervaringsdeskundige kan als geen ander vertellen over zijn malafide praktijken. Zo niet vertegenwoordigers van anticorruptieclub România Curată, die eerst Severin tijdens zijn praatje begonnen te jennen over aftreden en vervolgens heilig verontwaardigd waren dat ze door zijn supporters de zaal werden uitgebonjourd.

Maar dat terzijde: Ik ging lekker zwemmen dus die Severin kan de pot op.

Ons wijkzwembad heeft bij de ingang een hoge trap en om bij het eigenlijke bad te komen moet je weer een steile trap naar beneden. Dus al had ik doktersadvies om te zwemmen, ik moest uitwijken met mijn krukken.

Nicolae Ceausescu

Op aanraden van een kennis heb ik me geabonneerd bij Club Floreasca. Dit is een prachtig aan een meer gelegen fitness-/zwemclub met restaurant, in de rijke stinkerdsbuurt Dorobanți-Beller.

Ik las ergens dat het complex nog steeds eigendom is van de RAAPPS, een soort van Rijksgebouwendienst van Roemenië. Vast staat in ieder geval dat tot eind ’89 de belangrijkste klandizie werd gevormd door de Eik van de Karpaten en aanhang. Het restaurant schijnt erg treurig te zijn en de bediening van het puur communistische soort, maar Ceaușescu schijnt hier zijn laatste Oud&Nieuw te hebben gevierd, volgens deze Moldavische krant.

Het zwembad, waar ik mij nu drie keer per week op therapeutische basis in wentel, is geheel in oude stijl bewaard gebleven met de typische elementen die de periode zo karakteristiek maken: somber hout, beton en twee of drie geometrische basisvormen.

Vanuit het zwembad kijk je uit op een dennenbosje en het Floreasca-meer. De zwemmers zijn voornamelijk rustige, oudere mensen die hun dictator hebben overleefd.

En omdat alles zo authentiek bewaard is gebleven (lees: geen flikker aan onderhoud uitgevoerd in 20 jaar) denk ik bij ieder haakje waar ik iets ophang, bij iedere tegel en bij iedere ligstoel: zou ‘oompje Nicu’ ook dit haakje, deze tegel of die ligstoel hebben gebruikt? Zou de Eerste Zoon des Vaderlands hier op zijn spillebeentjes en in badslippers wat executies hebben bevolen? Zouden hier Marx en Engels galmend zijn geciteerd?

Ik voelde me ook een soort ramptoerist, die zich komt vergapen aan het leed dat een land is aangedaan. Maar toen ik geen Roemeen zag protesteren heb ik gewoon lekker gezwommen in de geschiedenis.

Het eind van Boekarest

Na het tentamen vanochtend – je hebt hier alleen maar veel te moeilijke en belachelijk makkelijke tentamens lijkt het – had ik besloten om de rest van de dag niet te studeren.

De auto moest naar de APK (dat heet in Roemenië ITP – Inspectia Tehnica Periodica) en ik had gister voor een lieve duit al nieuwe remschijven laten monteren, dus dat was een mooi zaterdagklusje. Nou had Ana gehoord dat je alleen met een goed opgewarmde motor naar de ITP moet gaan, dus ik eerst een eindje rondrijden in de stad. Kom ik in de file met winkelpubliek uit de provincie terecht. Toen ik bij het keuringsstation aankwam, gingen ze al bijna dicht; een helaasje.

Dan maar een wandeling maken. Ik ken onze buurt nu vrij goed, maar er is een bochtig zijstraatje achter ons geometrisch perfecte flatwijkje dat ik moest verkennen. Dat straatje bleek te leiden naar een na de revolutie onstaan villawijkje, met betonnerige villa’s in het groen. Erg leuk contrast met het oudere deel van de buurt, vooral omdat de huizen tussen de bomen stonden, er overal sneeuw lag en de weg onverhard was.

Via dit achterlangsje kwam ik opeens uit bij de Billa – een soort hele grote Aldi – achter het kerkhof Dudesti. Daar begint een wijkje flats van tien hoog, ingeklemd tussen drie verkeersaders, waar de mensen mistroostig door de sneeuwblubber waden. Toen dacht ik: veel stedelijk schoon is hier niet te vinden, ik ga eens kijken waar de stad ophoudt. Gelukkig wonen we aan de oostrand van de stad, dus ik hoef daar geen uren voor te lopen.

Vanaf de Billa ging het oostwaarts, via google kunt u meekijken, almaar oostwaarts, langs steeds treuriger flats aan de overkant van de boulevard ‘1 december’ (dag van de eenwording – nationalefeestdagtechnisch gezien vrij fris), waar tot mijn verbazing dan weer wel een flink aantal flats was opgeknapt via het landelijke piepschuimisolatieprogramma.

Na honderd meter werden de flats langzamerhand steeds frequenter afgewisseld met rijtjeshuizen, waarvan er een paar zó in Nederland hadden kunnen staan. Qua vorm. Als ze tenminste niet uit oranje met geel geschilderd beton waren opgetrokken. Rijtjeshuizen gingen over in villa’s: de een in rococo, de ander in een soort abstract expressionisme en de derde een blokkendoos alsof de geest van Ceausescu erin was gevaren. En in de verte was het al zichtbaar: het Eind van de stad.

Het eind is natuurlijk nooit een echt eind. Her en der staan fabrieken, een enkel huis is als voorpost buiten de stadsgrens opgetrokken. Maar toch: een duidelijke grens. Er is daar aan de oostkant van de stad een Laatste Straat, en daar heb ik gelopen. Hij liep trouwens dood, dus ik moest al snel weer terug. Maar het eind van de stad heb ik gezien vandaag.

De terugweg was heel wat minder aangenaam. Zo’n honderd meter voor het bereiken van de eerste flatrij kwam ik langs een troep wilde honden, die langs de schutting van een leeg perceel kampeerden. Wilde honden zijn nogal in het nieuws omdat er laatst weer iemand is doodgebeten. De discussie over afmaken of opsluiten is meteen weer opgeflakkerd, maar die schijnt al tien jaar te duren. Hoe dan ook, twee honden kwamen blaffend op me af. Er zijn heel veel loslopende honden in de stad dus ik was eerst niet erg bezorgd. Ik liep rustig door, maar toen ze achter me aan bleven komen en er zelfs een in mijn been probeerde te bijten, werd ik toch wel benauwd. Ook zonde van mijn enige spijkerbroek, want daar heeft die hond een keurige scheur in gebeten.

Het woudlopershandboek zegt in zo’n geval dat je rustig moet blijven doorlopen en niet moet laten zien dat je bang bent. Dat was ik eerlijk gezegd wel, maar ik ging niet sneller lopen en deed zelfs nu en dan een dreigende stap terug richting de honden. Dan stapten ze voor heel even wat achteruit. Zo ging het verder tot ik blijkbaar in een ander hondenterritorium kwam, want er kwam een andere troep honden voor de aflossing zorgen. Er was niemand op straat, maar het feit dat ik nu vlakbij de eerste flat was had op mij een hoopgevend en op de honden een ontmoedigend effect.

Ik was blijkbaar in een zigeunerbuurt beland, want opeens zag ik alleen maar zigeuners om me heen. En wie kwam ik tegen: de mevrouw-met-kind-op-de-arm die altijd bij onze buurtsuper naar aalmoezen staat te hengelen. Ze kwam blijkbaar net van haar werk bij onze buurtsuper, want ze liep daar heel forensachtig met een plastic tasje boodschapjes richting huis. Ik weet zeker dat ze me herkende want ik weiger altijd allervriendelijkst om geld te geven.

Even verder kwam ik ineens uit bij de Auchan (Franse keten van megasupermarkten, ook in Roemenië) en was ik nog maar vijf minuten wandelen van huis.

Later ben ik toch nog maar even een rabiësprik gaan halen bij de Matei Balskliniek in het centrum, want hoewel op mijn been niks te zien was moet je daar heel erg mee oppassen heb ik begrepen. Dat was op zichzelf een heel avontuur want ’s avonds is het daar heel spaarzaam verlicht en de kliniek bestaat uit wel tien vooroorlogse gebouwen en gebouwtjes, dus ik heb wel even over het terrein gedwaald (tussen de zwerfhonden!) voor ik bij de rabiëspoli was. Eenmaal daar werd ik liefderijk opgevangen door drie verpleegsters en twee artsen. Een verpleegster bestudeerde mijn identiteitsbewijs en riep vertederd: Ik ben getrouwd in jouw geboortejaar!

Maar goed dat ze aardig waren want wat blijkt: voor zo’n rabiësprik moet je nog vier keer terugkomen… Zo leidt een wandeling tot een hoop extra wandelingen!

Hé buurman! Joehoe!

Onder het motto ‘Goed nieuws is ook nieuws’ (quote van de te vroeg overleden Fons de Poel) wilde ik u het volgende niet onthouden:

Vanochtend spoedde ik mijn eigen met dochterlief in de armen geklemd naar de crèche. Er hing regen in de lucht, en hoewel het op loopafstand is weet je het nooit met die exotische hoosbuien hier. Er passeerde mij een autootje, dat even verderop stopte. Ik zag uit mijn ooghoek de bestuurder uitstappen en met zijn ochtendgymnastiek beginnen. Of, wat deedie eigenlijk? Het leek bij nadere beschouwing meer op wenken. Maar naar wie gebaarde die man? Ik keek achter me. Niemand te zien. Ik keek nog eens naar die man: wacht eens, was dat niet…

Wat bleek: het was een buurman van twee flats verderop die ik twee keer in m’n leven gezien had. Hij wilde ons graag een lift aanbieden en had al die tijd staan wenken. Ik verontschuldigde me uitgebreid (Ik had je niet herkend van die afstand!) en zei dat we alleen nog maar de hoofdweg over hoefden en we waren al op de bestemming. Hij liet zich met enige moeite overtuigen en stapte weer in het autootje.

Zo hufterig als onbekenden kunnen doen hier – zodra je de grens van totale anonimiteit bent overgestoken naar ongeacht welke vorm van kennismaking zijn mensen altijd zeer hulpvaardig. Hulpvaardigheid, ja dat is toch echt wel wijdverbreide eigenschap hier.

Overig nieuws: afgelopen weekend ben ik zowel naar Metallica als naar Rammstein geweest (plus Megadeth, Slayer en Alice in Chains, in het kader van een metalfestival te stede). Organisatie: zeer goed. Bands: zeer goed. Versprekingen Boekarest/Boedapest door bands op podium: slechts 2. Mede-festivalgangers beschouwden het als compliment toen ik gedachtenloos opmerkte: ‘Je hebt niet eens door dat je in Roemenië bent!’

Dinamo – Steaua: 2-0

Vorige week mocht ik met vriend Marius mee naar het foebelen. Hij is – zeer beschaafd- fan van Dinamo Boekarest en die moesten thuis tegen aartsvijand en stadgenoot Steaua, dus wij erheen. Het was mijn eerste betaald voetbalwedstrijd in Roemenië.

dinamo-steaua

Van tevoren had ik me er veel van voorgesteld: ziedende mensenzeeën, spreekkoren, vuurwerk, slagveld. Niets van dat alles. De fans werden efficiënt van elkaar gescheiden gehouden, vooral de harde kernen natuurlijk. De Dinamofans worden ‘rode honden’ genoemd, maar het bleef deze keer bij geblaf. De politiemensen bij de ingang zagen er wat bangig uit, maar de sfeer zat er goed in en dankzij een opzienbarende overwinning van de thuisploeg bleef dat ook zo. De brandweer stond aan de rand van het veld klaar met de spuit, maar hoefde niet in actie te komen. De stewards kleumden kou. Sommige Dinamofans hadden bij 8 graden Celsius toch maar hun t-shirt uitgetrokken. Je weet nooit of je nog eens op tv komt.

Marius vertelde dat de tijd van de grote veldslagen in de stadions wel voorbij was. Afgezien van de inventiviteit van de scheldwoorden (ik heb in korte tijd veel geleerd) ging het er erg vriendelijk aan toe. Een gezellig avondje voetbal, je zou bijna je kinderen meenemen 🙂

Obor

Vanwege de verbouwing had onze vriend ‘King’ George een nieuwe boorhamer nodig. In het Roemeens heet dat prachtig: ‘ciocan rotopercutor’. Als prijsbewuste klusjesman vindt hij de Praktiker te duur, dus wij naar de markt. Piața Obor, aan de noordoostkant van het centrum, is in Roemenië een begrip. Je kunt er alles vinden. En na twee passen over de drempel weet je waarom dit een Balkanstad wordt genoemd.piata obor 

Tussen de wankele kraampjes binnen en buiten een immense hal wurmen zich de kopers door een gangpad van een meter of anderhalf breed. Verkopers – arme boeren, handelaartjes en zigeuners – toeteren in je oor of kijken onverschillig voor zich uit.

Het was prachtig weer vandaag en wij zochten dus die boormachine. In de grote hal heerste een soort halfduister. Afbrokkelend beton en  ijzer strijden met de felst gekleurde telefoonhoesjes. Meerdere kooplui beweerden dat het gezochte artikel ‘binnenkort weer op voorraad is, maar ik ben sowieso de enige hier die dit verkoopt’.

piata obor IIBuiten baanden we ons een weg langs de verschillende kraampjes en na lang zoeken hebben we het apparaat bemachtigd. George is daar nu de badkamer mee aan het afbreken.

Wat gezoek op internet leverde op, dat de markt vroeger nóg groter was. De foto’s bij deze post komen van de krant Gândul, die in een artikel uit 2007 schrijft dat de markt ‘voor de helft wordt opgeslokt’ door ‘weer een winkelcentrum’. Er is anno 2010 een groot terrein afgezet, maar van een winkelcentrum heb ik nog geen spoor gezien.

Overigens is het wel aardig dat veel commentaren bij dat artikel de markt smerig en crimineel vinden. Om er nog enige romantiek in te zien moet je wel uit het buitenland komen, vrees ik. Maar voor de oudere buurtbewoners die slechts in heel kleine hoeveelheden eten kunnen kopen is het toch een uitkomst. Je ziet op deze markt echt het ‘andere Roemenië’ – een groter verschil met het winkelcentrum Băneasa in het noorden van de stad is nauwelijks te bedenken.

Tot slot nog een aardige foto van vroegâh – de markt voor de oorlog met dank aan de krant Romania Libera.

targulmosilor

Onderhoud

Roemenen hebben een collectief minderwaardigheidscomplex lijkt het wel. Klagen doet iedere natie, maar als je de mensen hier moet geloven ben je gek als je niet emigreert. Ik heb dan ook vaak discussies over de vraag, waarom ik in ’s hemelsnaam hier ben komen wonen.

Toch kunnen Roemenen ook positieve kanten van zichzelf noemen. Desgevraagd beginnen veel mensen over het Roemeense talent om zich met improvisatietalent uit de meest bochtige situaties te wurmen. Momentoplossingen, daar zijn ze goed in.

Langzamerhand begin ik te geloven dat deze eigenschap niet alleen een oplossing is voor veel netelige situaties hier, maar ze ook veroorzaakt. Ik zal dit toelichten.

Het is momenteel in de pers ach en wee over de gaten in de weg. Het asfalt in Boekarest vertoont gaten waar je hele auto in verdwijnt als je niet uitkijkt (zie dit)  . Waarom die gaten? Het asfalt is al die jaren alleen opgelapt als er een stukje kapot was, en nooit grondig vernieuwd. Waarom niet? Op dat moment was het niet nodig.

Ander voorbeeld. Waarom worden er overal nieuwe kantoorgebouwen neergezet, terwijl er niet een gebouw in Boekarest is van meer dan vijf jaar oud, dat in een normale staat van onderhoud verkeert? Omdat bouwen leuk en momentaan is. Onderhoud is saai en periodiek.

Derde voorbeeld. Waarom heeft niemand in Roemenië een verzekering als het niet verplicht is? (Zoals de aansprakelijkheid bij auto’s.) Verzekering is voor een mogelijk iets dat in de toekomst kan gebeuren. Dus totaal buiten de horizon.

Ik durf wel toe te beweren dat Nederlanders (om maar een volkje te noemen) veel minder goed zijn dan Roemenen in het omzeilen van problemen door het vinden van spontane improvisaties. Tegelijkertijd doen wij veel meer aan onderhoud. Wetenschappelijk vastgesteld heb ik het nog niet, maar ik vrees dat we te maken hebben met elkaar uitsluitende grootheden. Dus de keus is eigenlijk: Gaten in de weg of voorspelbare saaiheid.

Snows of Bucharest

Eindelijk is het dan zo ver. We mogen dan in een vaccinloos land wonen, maar ze hebben hier tenminste wel een fatsoenlijke zomer (4 maanden mooi weer) en in de winter sneeuwt het zoals het hoort.

In Boekarest sneeuwt het niet zo vaak, maar vandaag is het hier een sneeuwjacht van jewelste. Burgemeester Oprescu heb ik vorige week nog op de televisie zien beweren dat alle sneeuwschuivers er patent bijstaan, mSneeuw in Titan, december '09aar daar viel onderweg terug van kantoor niets van te merken. Op de Liviu Rebreanu-boulevard, een verkeersader in het oosten van de stad, was de voor stadssneeuw zo kenmerkende grijze pulp nog niet verschenen. Op zich wel leuk natuurlijk, als voetganger kom je visueel aan je trekken en je hoeft niet bij ieder kruispunt door de prut te waden.

Als het sneeuwt wordt deze stad ook mooier door wat je niet meer ziet, net als ’s nachts. Op de achtergrond van deze foto is bij heldere lucht een horizon van foeilelijke betonflats te zien. Nu: een woest bergmassief uit een sprookje.

Een avondje Arnon

Vorige week was Arnon Grunberg in Boekarest. Dat mag gerust het Nederlandse literaire evenement van het jaar heten voor onze stad, dus de onderaardse studentenbar waar de discussie-avond plaatsvond was mudjevol. Een meisje van een literair tijdschrift had de avond georganiseerd en voor dat doel ook wat mensen opgetrommeld die ‘iets’ met Arnon hadden: vertalers van zijn werk, de uitgever, docenten Nederlands aan de universiteit, een collega-schrijver, een aantal theatermakers… wie wie was op het podium werd mij pas gaandeweg de avond duidelijk. Temeer omdat er een spannende dynamiek ontstond tussen af- en aanlopende podiumgasten, de hele avond lang.

Grunberg, die ondanks zijn hoge haardos en kekke laarsjes klein bleef tussen de Roemenen, had een heel prettige manier van doen. Hij kwam oprecht geïnteresseerd over in de discussies, luisterde geduldig, gaf omstandig antwoord op zelfs de meest vage debiteringen en had daarbij een indrukwekkende podiumuitstraling. Aimabel. Dat zijn Roemenen niet van alle schrijvers gewend: ik hoorde dat die zich hier graag met voetstuk en al door de wereld bewegen.

Tijdens de discussies moest ik, afdwalend, aan de romans denken. Het gesprek ging vooral over zijn journalistieke werk, maar ik vind vooral zijn romans goed. Stukjes schrijven kan iedereen. Ik denk dat ik zijn debuut in 1995 heb gelezen. Ik vond er niks aan. Destijds was ene Giphart erg populair – Ronald’s rukboekjes werden zijn werkjes wel genoemd. Het eerste boek van Grunberg leek een soort imitatie daarvan. Arnon’s aftreksels, zo u wilt. Later werk ben ik erg gaan bewonderen, onder andere De geschiedenis van mijn kaalheid, die nu dus pas in het Roemeens is vertaald. De roman Tirza vond ik eigenlijk té goed. Die was zo huiveringwekkend dat ik hem niet meer kon verdragen in de boekenkast, en heb weggegeven. Misschien toch maar eens wat journalistieks lezen…